Een vluchteling in Groot-Brittannië 1940 – 1945

François Aspeslagh (foto uit 1948)

Mijn vader François Aspeslagh (+1988) werd geboren op 2 maart 1910 als jongste telg van Henri en Clémentine Lambersy. Pas vier jaar oud, vluchtte hij in 1914 al een eerste keer naar Engeland waar het gezin toen een onderkomen vond in Milford Haven (Wales). Na de Eerste Wereldoorlog, kwamen ze terug naar Oostende en volgde vader tot 1928 de lessen aan het Onze-Lieve-Vrouwecollege. In dat jaar stierf plots zijn vader en onderbrak hij zijn studies om als bediende zijn brood te verdienen bij de rederij Pêcheries à Vapeur (PV). Hij woonde thuis in de Christinastraat bij ma Clémentine die op haar beurt overleed in 1936. Op dit moment ging hij inwonen bij zijn oudere zus Madeleine, haar man August en zoon Georges.

Tijdens de meidagen van 1940 kreeg vader François de kans om met een schip van de PV-rederij te vluchten naar Engeland. Hij vertelde later dat het één van de laatste bootjes was dat de overtocht maakte. Van op zijn schip zag hij hoe andere vissersboten door de Duitse stuka’s werden bestookt en tot zinken gebracht. Behouden in Engeland geraken was dus een kwestie van puur geluk.

   

Waarschijnlijk heeft vader daar op verschillende adressen gewoond. Op de documenten die ik onlangs heb teruggevonden, komen twee achtereenvolgende adressen voor, nl. 73, Twist Lane, Leigh, Lancashire (vroegste vermelding in 1942) en 1, Navigation Street, Leigh, Lancashire, zijn laatste adres in Engeland. Dat betekent dat hij als vluchteling uiteindelijk toegewezen werd aan het graafschap Lancashire (Noord-West Engeland), meer bepaald aan de stad Leigh, halfweg tussen Manchester en Liverpool. Beide adressen zijn ook vermeld op zijn National Registration Identity Card met nummer WR 47035, afgeleverd op 12 mei 1943. Zijn laatste adres werd geregistreerd in oktober 1943 en hij zou in de Navigation Street blijven wonen tot juli 1945.

Leigh, halfweg tussen Manchester en Liverpool

Het graafschap Lancashire is sinds de Industriële Revolutie gekend voor zijn katoenindustrie. Geen wonder dat vader in 1942 als labourer werd tewerkgesteld in een spinnerij, nl. bij The Bedford & Mill Lane Spinning Co in Leigh. Ik herinner mij uit mijn jeugd dat we thuis een spoel katoenendraad hadden die hij bij zijn repatriëring had meegebracht en jaren lang dienst deed om pakjes en dergelijke toe te binden. Moeder sprak altijd van de “bobine katoen van Engeland“. Nadien is hij in Leigh nog gaan werken in de voedingssector maar precieze gegevens daarover heb ik niet gevonden. Een brief van de “National Union” spreekt van Grocery Warehouses. Vader heeft later verteld dat ze zich op het werk wel eens durfden te goed doen aan een ei of aan een fles melk. Ze zaten immers aan de bron en in oorlogstijd, waar voeding gerantsoeneerd was, trok iedereen op één of andere manier zijn plan.

Zoals alle gevluchte Belgen van zijn leeftijd, werd hij (militieklas 1930) opgeroepen om bij het Belgisch leger dienst te doen. Hij moest zich op 2 juli 1941 aanmelden bij het Werfbureau, 107 Eaton Square, London S.W.I.:

   

“Gezien de Besluit-Wet van 30-1-1941 […] onder de wapens oproepende al de Belgische burgers behoorende tot de militieklassen 1922 tot 1941 ingesloten, en wonende buiten de gebieden bezet door den vijand, wordt hij verzocht U den 2de juli 1941 om 14 uur aan te bieden voor het Werfbureau van Londen om er een geneeskundig onderzoek te ondergaan met inzicht van uwe inlijving in het Belgisch Leger.

De burgers vroeger vrijgesteld als ongeschikt voor militairen dienst zijn onderworpen aan den oproep onder de wapens, en zijn bijgevolg verplicht dit geneeskundig onderzoek te ondergaan.

Belangrijk bericht. Gelieve alle schikkingen waar te nemen om U toe te laten te vertrekken van Londen naar het Belgisch Kamp in geval U geschikt voor den dienst aangewezen wordt.
Hierbij:

1°) een bon voor kosteloos vervoer, om te wisselen tegen een reisbiljet, in het vertrekstation;

2°) een bulletijn om van de politie te toelating der verplaatsing te bekomen.

De kapitein H. BROUHON, Commandant van het Werfbureau.

Blijkbaar kon je toen je niet vrij verplaatsen binnen Groot-Brittannië en was daarvoor toelating van de politie vereist. Waarschijnlijk had dit te maken met het zoveel als mogelijk verhinderen van spionageactiviteiten en om continuïteit in de oorlogsindustrie te verzekeren.

Waarom hij zich op 2 juli niet aangeboden heeft, weet ik niet. In elk geval werd hij opnieuw opgeroepen om op 14 juli daaropvolgend te verschijnen. Na afloop van dit medisch onderzoek werd hij “Vrijgesteld als voorgoed ongeschikt” en ingeschreven in de werfreserve  van de Ambassade van België te Londen. Zijn definitieve ongeschiktheid voor “geneeskundige redenen” werd opnieuw officieel bevestigd op 24 september 1943. Werd hij misschien ondertussen opnieuw opgeroepen?

In mei 1944 kreeg hij een schrijven van de National Union of distributive allied workers waarin sprake is van zijn “refusal to join the Union”. Bij de brief stak ook een “entrance form”. Blijkbaar heeft dit schrijven zijn doel bereikt want vanaf 27 mei 1944 tot 14 juli 1945 betaalde vader elke week zijn bijdrage die werd ingeschreven op de Contribution Card van de Leight Branch met als nummer 3/112.

Van 21 tot 30 juni 1945, enkele dagen voor zijn repatriëring, werd hij ziek. De sectie Huisvesting en levensonderhoud van de Belgische Dienst voor Vluchtelingen kende hem een wekelijkse vergoeding toe van 16/6[1]. Dit bedrag kwam bovenop de 12 shillings die hij wekelijks zou ontvangen van de Britse Health Insurance. Op 8 juli 1945 schreef vader aan de Dienst voor Vluchtelingen dat hij ondertussen al terug aan het werk was en dat “[…] langer thuis blijven hem meer goed had gedaan dan werken, doch de geldbeurs moest nagegaan worden”. 28/6[2] per week was blijkbaar maar nipt om comfortabel te kunnen leven. Daarvan was al 7/6[3] bestemd voor de huur zodat per week nog 21 shillings of iets meer dan £1 overbleef voor verder levensonderhoud.

Hoewel Oostende al begin september 1944 bevrijd was, was de terugkeer nog niet voor onmiddellijk. Dit had te maken met de onzekere oorlogstoestand (bv. Duits von Rundstedt-offensief in de Ardennen nog eind december 1944, V1 en V2), met de ontreddering en de rantsoenering in België en hoogst waarschijnlijk ook met feit dat de Belgen in Groot-Brittannië in de oorlogsindustrie waren ingeschakeld. Ze konden zo maar niet van de ene dag op de andere worden gemist.

Op 9 juli 1945 was het eindelijk zo ver en kreeg hij bericht dat hij op 20 juli zou gerepatrieerd worden naar Oostende. Dat ging gepaard met heel wat formaliteiten:

  • De bagage was beperkt tot 168 lbs[4] per persoon en mocht bepaalde afmetingen niet overschrijden; de bagage werd door de douane nagezien en moest door “gebrek aan werkvolk” door de passagiers zelf op de trein worden geladen in het Londense Victoria Station. Wie meer goederen wilde meenemen, moest daarvoor beroep doen op een privé transporteur die de goederen in België zou afleveren “zoodra de omstandigheden het zouden toelaten”.
  • De gerepatrieerden moesten zich daags voor hun vertrek aanbieden in het Ontvangstcentrum 39, Belgrave Square, London S.W.I waar ze eventueel ook konden overnachten. Voorkeur werd gegeven aan aankomst op de dag van vertrek naar België.
  • Drukwerken en handschriften werden voor het vertrek gecensureerd. Brieven meenemen om in België te posten was verboden.
  • Men moest zich voorzien van eten voor 36 uur want op het schip zou niets te verkrijgen zijn.
  • Er waren ook financiële onderrichtingen. De voornaamste waren:
    • Meer dan £5 cash meenemen was niet toegelaten; die £5 zou bij aankomst in Oostende worden omgewisseld door “den Monetairen Agent van de Nationale Bank van België die op de ontschepingskaai zetelt”.
    • De rest moest op een bankrekening gestort worden of gedeponeerd bij het Belgisch Gezantschap.
    • Oude Belgische bankbiljetten mochten niet zonder Certificaat C naar België worden meegebracht.
    • juwelen en andere waarden konden in “redelijke hoeveelheden” worden meegenomen.

Formaliteiten voor repatriëring – Document in -pdf

Die financiële bepalingen hadden natuurlijk te maken met de muntsaneringsoperatie (oktober 1944) van de Belgische minister Camille Gutt.

Met welke boot en in welke omstandigheden vader op 20 juli 1945 in Oostende aan land kwam, heb ik niet kunnen achterhalen. 20 juli is ook de datum die als “Embarked” vermeld staat op zijn National Registration Identity Card.

Een spoel katoenendraad waarvan al sprake en een tinnen, dicht gesoldeerde doos tabak en enkele administratieve documenten waren de enige souvenirs die resten van zijn vijfjarig verblijf in Groot-Brittannië. Ik heb geen enkele foto gevonden.

Hij vertelde ook niet zoveel over die periode. Alleen op de wereld, in een ander land, onder de bommen en met de talrijke beperkingen i.v.m. voedsel, textiel en zelfs verplaatsing, dat zijn dingen die je liever zo vlug mogelijk vergeet. Hij ging er wel frequent naar de bioscoop, hobby die hij in België terug opnam. Van de Engelse eetgewoonten had hij een afkeer overgehouden voor lamsvlees, in elk geval voor schapenragout die de volgende dag opgewarmd werd geserveerd. Wat hij daar wel had leren eten was corned beef, traditie die hij in eer hield. Na zijn terugkeer onderhield hij ook sporadisch contact met Oostendenaars die hij in Engeland had leren kennen, o.a. met cafébaas “De Witten” van de kaaie en ook met de Joodse textielhandelaar Kalter (hoek Alfons Pieterslaan en Kan. Dr. L. Coolenstraat) van wie hij bij een aankoop altijd 10% kreeg. Na twee oorlogen doorgebracht in Groot-Brittannië, sprak hij heel vlot Engels. Zelfs op latere leeftijd volgde hij nog probleemloos de TV-programma’s van de BBC. Hij was lange tijd geabonneerd op een Engelse wekelijkse krant.

Zoals bij nogal wat jongvolwassenen, hebben de oorlogsomstandigheden roet in hun trouwplannen gegooid. Pa was al de 36 jaar voorbij toen hij, ruim een jaar na zijn terugkeer uit Engeland, in november 1946 huwde. Ma was toen 32 en was tijdens de bezetting in Oostende gebleven.

En hoe verliep het contact tussen Leigh en het thuisfront? Vanaf welke precieze datum pa informatie uit Groot-Brittannië kon uitwisselen met zijn familie in Oostende, weet ik niet.

Stempels van Duitse censuur

Voorkant met nieuwjaars wensen.

Antwoord op keerzijde met Paaswensen!

Het eerste schrijven dat ik heb teruggevonden, werd gestuurd via het Internationaal Rode Kruis. Hiervoor waren speciale formulieren ontworpen. Vader (der Fragesteller, enquirer genoemd) schreef zijn boodschap vooraan en de geadresseerde (der Empfänger, Addressee) in België noteerde het antwoord op de keerzijde in maximaal 25 woorden. Tussen vraag en antwoord verliepen ongeveer 3 à 4 maanden en zelfs nog meer. Dit zou zo blijven tot na de bevrijding van Oostende.

Het waren meestal banale teksten – maar belangrijk om het contact niet te verliezen  – waar men vroeg naar de gezondheid en naar verder familiaal nieuws. Ook kwam vanuit België de vraag naar “pakjes” voortdurend terug, wat bewijst dat de noden hier groter waren dan de beperkingen in het Verenigd Koninkrijk. Het ging niet alleen om voedsel, maar ook om textiel en schoenen.

Het eerste document – ik kan het moeilijk een brief noemen – dateert van 30 oktober 1941 en het laatste van 4 oktober 1944. Vader was afzender, bestemmelingen waren meestal zijn zus Madeleine,  schoonbroer August en hun zoon Georges. Vader hield ook via dezelfde weg contact met zijn oudere broers Henri en Albert en één enkele keer met zijn werkgever, de reder John Bauwens. Buiten banale formules, kunnen we niet veel uit die correspondentie opmaken omdat ze aan beide kanten streng werd gecontroleerd door de censuur. In totaal vond ik 23 berichten waarvan 20 vanuit Groot-Brittannië naar België verstuurd en, na 10 augustus 1944, drie in de omgekeerde richting. Vader heeft die laatste nooit beantwoord of misschien wel per brief, na de bevrijding van Oostende in september 1944.

Toen verdwenen de berichten via het Rode Kruis en konden eindelijk echte brieven op oorlogspapier en briefkaarten worden uitgewisseld. Maar die waren nog altijd onderworpen aan de censuur want de eindoverwinning zou tot begin mei 1945 op zich laten wachten. Op een aantal briefkaarten zijn hier en daar zinnen onleesbaar gemaakt en in één brief werd met de schaar geknipt.

De correspondentie wordt nu heel wat frequenter en langer. Spijtig genoeg beschikken we enkel over de brieven en briefkaarten die vanuit Oostende werden verzonden maar niet over het antwoord dat vader terugstuurde. De correspondentie ging meestal uit van neef Georges – toen 18 jaar – die o.a. vertelde over wat er zich had afgespeeld tijdens de oorlogsjaren en bij de bevrijding van Oostende.

Deze bijdrage is verschenen in het Vrije Visserijblad van februari 2013

 

datum van brief
of postkaart

schrijver

onderwerp

gebeurtenis uit het jaar/
tijdens

vraag naar

bijlage

1944-12-11 neef Georges Inval Duitsers, brandbommen
Tekort aan textiel
1940 1
1944-12-? neef Georges Overzicht Blitzkrieg tot aanontruiming  Oostende door de Duitsers,  brand Palace Hotel, bevrijding door Canadezen 1940-1944 hemden, textiel, schoenen 2
1945-01-03 schoonbroer August Brieven die niet zijn toegekomen 1945 3
1945-01-28 neef Georges Pakje ontvangen via soldaat. Al vier  briefkaarten ontvangen. 1945 4
1945-02-11 neef Georges Familiaal nieuws, voetbalresultaten, niets meer gehoord van die soldaat 1945 5
1945-02-11 vriend Staf Uitgaan na de bevrijding en problemen i.v.m. fietsbanden 1945 6
1945-02-18 schoonbroer August Blitzkrieg, Achturenhuis, tewerkstelling in en bombardement van Union Chimique, voetbal en boksen, zwarthemden 1940 –1945 7
1945-04-06 neef Georges Eerste repatriëring uit Engeland 1945 gabardine, schoenen 8
1945-04-13 neef Georges Drie schepen met gerepatrieerden toegekomen, veel bureelwerk in Oostende 1945 pak afzenden, sigaretten 9
1945-04-16 neef Georges Pakje ontvangen met naaigaren en sigaretten. Schip binnengelopen met gerepatrieerden. Nu ook landgenoten terug uit Duitsland 10
1945-05-12 neef Georges Vreugde omwille van V-day 1945 zeemlap 11
1945-06-02 neef Georges Lang geen nieuws meer. Wanneer kom je nu thuis? Werk genoeg in Oostende. 1945 12
1945-07-02 neef Georges Dagbladen opgestuurd naar Engeland. Wanneer kom je eindelijk thuis? 1945 13

© John Aspeslagh

Bijlagen

1. Briefkaart

Passage geschrapt door censuur

Oostende, 11 december 1944

Ik schrijf U nu in ‘t kort hoe het met ons gesteld is. Wanneer Oostende door de Duitschers gebombardeerd geweest was, hebben wij ook van de brokken meegedeeld, n.l. een brandbom is in de keuken gevallen. Gevolg: buffet, kon men niet meer waarnemen. Uw beide radio’s zijn ook voor de rekening (zonder commissieloon), de stoof van ‘t zelfde. Tafels, stoelen, kast in den andere keuken waren allen gebloeid. Dus zoals U ziet, staan we deerlijk in keuken. We gebruiken een menagère van iemand die ook in Engeland vertoeft en muziek die maken we van tijd tot tijd zelf. Os da nie schoone moe (?) zien, hé.

[…] ik die nu 1,68 m dik ben groei van boven en van onder uit mijn kleeren of ‘t is te zeggen uit mijn lappen. U kunt gaan denken dat stoffe heel goed van pas zou komen. [geschrapt door censuur] Ik draag al hetgeen achter gebleven is van U zooals hemden, pyjama’s. Pa draagt uw pardessu en ik draag pa’s. Voor de rest zullen we ons voor ‘t ogenblik wel uit den slag trekken. Verder verlang ik zeer veel dat U binnenkort weer in ons midden zult zijn. ‘t Zal zeker niet lang meer duren?

Groeten van ons allen aan allen.

Uw neef Georges

2. Brief

Oostende, den .. 12-1944

Hier Oostende met eenige woorden over onze angststemmingen in den “Blitzkrieg”.

Het was begonnen met een brandbom in onze keuken op den avond van 20 mei[5]. In den hof van de kerk, waar we in den abri zaten, was er ook één gevallen. Wij waren daar bijna versmacht[6]. Daar uit gevlucht en naar een huis gegaan van Melle Vanderheyden’s kennissen op de Christinaramp (Melle Vanderheyden is overtijd[7] gestorven). Daar heel den nacht in den kelder gezeten want ze waren nog altijd aan het paasscheiren[8], en ik zat formidabel met den klop. We hebben dan in den nacht een[s]  buitengekeken, de brand had zich meer en meer uitgebreidt zoodanig dat de fourrurewinkel op den hoek ook vuur vatte zoodat de vuurgloed, die veel gelijkenis had met de roode zon in den zomer binst zijn opstaan, nu nog vermeerderde. Dit huis op den ramp was ook twee dagen nadien niet meer te zien. Wederom geluk!!!

‘s Anderendaags ‘s morgens zijn we naar tantje gegaan om daar te wonen. Daar werd een huis ingesmeten[9] op 50m afstand van ons af en ‘t toppunt was dat de Duitschers hier al waren. Hadden ze niet van tijden[10] de vlag[11] gelegd, zoodat de vliegers het gewaar werden, dan had er van Oostende niet veel meer overgeschoten, want ze hadden opdracht heel de kust te vernietigen. ‘t Stadhuis, Kapellestraat rond de groote markt, heeft er dan ook van genoten[12]. Dus we hadden geluk bij het ongeluk. Pa was ook dien dag, later tegen den avond, afgekomen met zijn auto[13]. Hij had met de revolver op de borst Westende moeten innemen. Er zaten daar nog groepjes Engelschen. As me da gin held is, hé.

Een jaar en half later, geloof ik, zijn we dan naar de Alf. Pieterslaan gaan wonen. Daar hebben we een reeks Engelsche brandbommen gekregen die juist stopte voor onze deur. U ziet dat we nogal vervolgd geweest zijn.

Verder in de jaren ’41-’42-’43-’44 moesten we met het eten niet boffen. Ook geen kleederen, geen kolen, enz. … alles wat “geen” betreft. Een geluk dat pa in den Union Chimique werkte en er alle maand 500 kg cokes kon koopen. We kregen dan in die jaren ook nog aan tijden[14] eens een proevertje van Engelsch moordmateriaal. Niet dat de Engelschen moordenaars zijn, in ‘t geheel niet. Maar het materiaal is moordlustig[15]. Van de Duitschers is het anders. Zij zijn de moordenaars en het materiaal wordt er toe geleid te moorden.

Dan in September ’44 bij het vertrek van de Duitschers hebben ze hier alles laten springen en in brand gestoken. Het Palace hôtel en het Koninklijk paleis[16] is geheel uitgebrandt (sic). Had het dien dag geen storm moeten zijn, ik geloof dat heel de stad vuur ging vatten. Want ge kunt denken, we zagen in dien regen nog de roode vlammen boven ons huis. In dien brand waren de menschen bezig het hôtel te plunderen. Ze stampten in het smeltend suiker. De wijn liep naar buiten. Ze liepen in de boter en caramels tot over hun enkels, enz. enz. Wij hebben ons nooit de moeite gedaan één voet te zetten in het Palace hôtel, want het is meer op het laatste van den oorlog dat ge moet zorgen voor uw vel. Er zijn er dan ook 7 of 8 vermist in het Palace hôtel.

Binst dat de Canadeezen, die den 8sten September om 2u30′ binnenkwamen, hier waren, hebben nog twee Duitschers de onderzeebasis[17] doen springen. ‘t Gevolg is onbeschrijflijk. Hadden de stukken niet loodrecht in de lucht moeten vliegen, ze lagen zekerlijk aan Mariakerke. De Canadeezen zijn hier zonder eenig tegenstand binnengekomen. Had het zoo niet moeten zijn dan was Oostende radicaal gevaagd[18]. Het is best dat het zoo afgeloopen is. Zoo ziet U in ‘t korte ons “beeste” leven binst de 4 moordenaarsjaren. Meer daarover vertellen we wel wanneer U weer bij ons thuis zijt.

Verder in geval dat U dit kaartje dat we geschreven hebben niet zou ontvangen hebben omwille van dien voorraad[19] schrijft ik het U hier weder hetgeen U voor ons zou kunnen medebrengen als U kunt

4 hemden 2 fantasie kol 36 (voor mij) 2 witte kol 37 (voor pa)

2 paar schoenen Nr 40

Stoffe voor pardessus en ook andere stoffe voor een schoon kostuumtje voor mij (met lange broek)

Verder geen nieuws. Groeten aan allen. Tot binnenkort.

Uw neef Georges

NB Uw kaartje van 3-12-44 zoo juist ontvangen. Wij weten voor ‘t oogenblik niets van het Acht Uren Huis af omdat het bezet is van de Engelschen. Het heeft heel den oorlog niet open geweest. Maar biljart’s zullen we wel vinden in andere cafés. Ziet maar dat U een beetje in forme zijt, hoor! Want tegenwoordig ben ik kampioen in alles […]. Aan sport heb ik mij niet te kort gedaan in den oorlog, juist voetbal. Voor ‘t oogenblik hebben wij ook Staf’s[20] adres niet. Zoo wij het hebben, zenden we het U zoo rap mogelijk.

3. Briefkaart

Oostende, 3-1-45

Beste schoonbroeder

Uw kaartje ontvangen, van 17-12-44 waarin we lezen dat U geen nieuws meer ontvangt van ons sinds drie weken. Wij hebben nochtans 2 brieven geschreven, alsook een Kerstdag en Nieuwjaar kaartje. Nu volgt nog ene brief. Verder geen nieuws en tot binnenkort.

August

4. Briefkaart

Oostende, 28-1-’45

[…] Het pakje ontvangen. Wel bedankt voor de gift. Het heeft gesmaakt. De soldaat[21] heeft mede gegeten. Zien we U nog voor dat het Lente is? ‘t Is te hopen.

Tot nu toe hebben in ‘t geheel al 4 kaartjes ontvangen van U. De groeten van ons allen. Tot binnenkort.

Uw neef Georges

5. Briefkaart

Oostende, den 11-2-45

Kaartje ontvangen van 30-1-45 alsook een brief van Jeanne van 31-1-45. Met ons nog alles O.K. Met de keuken en de radio komt alles wel in orde. ‘t Voornaamste is dat we nog leven. Ge lacht met die overjas, hé. Maar ge zoudt pa er eens mede moeten zien, ‘t is kompleet gelijk een “Liere op een zondag[22]“. Tantje werkt nu alle dagen in de Venise van ‘s morgens tot ‘s avonds. Eten heeft ze er ook en het werk is zooals ze thuis zelf heeft. Daar ze op Mariakerke woont, komt ze dikwijls bij ons slapen.

Onze vriend[23] hebben we al lang niet meer gezien anders zouden we een briefje met een photo van mij erin zenden. […] Van voetbal is er hier voor ‘t ogenblik nog niet veel sprake. Wanneer het weer normaal loopt dan speel ik alleszins. De voorkeur gaat naar A.S.O. Staf heeft ons zondag komen bezoeken en had een kaartje ontvangen van U. Hebt U al nieuws van Staf ontvangen? Verder geen nieuws en tot binnenkort.

Uw neef Georges

6. Briefkaart

Oostende, den 11-2-1945

Beste vriend Frans, goed uw kaartje ontvangen van 30-1-45 waarin ge zegt dat alles goed gaat met u, nu met mij is ook nog alles goed en de familie ook. Miel is ook nog altijd in goede gezondheid en zijn vrouw en dochtertje ook. Frans, ge spreekt van trouwen, ik ben ook nog niet getrouwd. Ik doe hier nog altijd hetzelfde werk maar bij een andere baas. Miel werk nog altijd bij zijn vroegere baas. Nu van cafés, het is hier veel verandert (sic) en goed bier is hier ver te zoeken of ge moet [geschrapt door censuur] betalen voor een glas en het is nog zo goed niet als bij Nette. Frans, dezen morgen als ik uw kaartje ontvangde, was ik bezig met mijn velo te vermaken, het is hier om zot te worden met die buitenbanden, lappen en tappen en als ge tien minuten ver rijdt, zit ge weer door uw buitenband. […] Nu Frans, ik zal maar stoppen van schrijven want het is tijd voor een sortie te doen, ik zal dezen avond een glasje op uw gezondheid drinken. Doet de groeten aan Nette en Lucie Pieters van mijn moeder en groet ook vrienden. Tot binnenkort misschien.

Uw makker Staf.

7. Brief

Oostende, den 18-2-45

Beste Schoonbroeder,

Het is al lang geleden dat gij nog wat nieuws hebt ontvangen uit mijne pen of handen, maar ja als  men al één[24] lopen heeft van 18 jaar, dan telt den ouden al niet veel meer.

Wij zijn altijd tevreden als wij wat nieuws ontvangen van U [passage geknipt door censuur], en ik kon ook al met mijne pekkels in de lucht gevlogen zijn, maar ja met 5 minuten geluk komt men ver, later meer daarover.

De brandbom die in de keuken terecht gekomen is, is kunnen gebluscht worden, maar van keukengerief bleef er al niet veel meer over, zelfs de kanarievogel lag verkoolt (sic) tusschen de tralies. De café Vertriest op den hoek, en de Jodenwinkel op den andere hoek, die bestaan niet meer. Ik ben naar huis gekomen binst dat de laatste duitsche bommen op Oostende geworpen wierden.

Het huis op het Hazegras heeft ook een smakje gehad niet van bommen, het is zoo gekomen, als de Duitschers de plaats[25] moesten poetsen hebben zij hier alles die van militair belang was “en er waren er geen” in de lucht laten vliegen, en als de duikboot basis op den Opex in de lucht vloog, was het de grootste katastroof die wij beleefd hebben, nu is het weer bewoonbaar.

Ook het Achturenhuis die was al bezet door onze bevrijders[26]. October 1940, daardoor ben ik naar de Union Chimique gaan werken, ‘t is daar dat ik zoo vet geworden ben door al die gezonde affaire dat zij daar fabrikeeren. Den 16 April 1943 hebben we daar maar liefst een 35 bommen in ontvangst genomen van de Tommies, en nogmaals 5 minuten geluk, op 1000 personen die daar werkten, slechts 2 doden en enige gekwetsten, anders veel stoffelijke schade. Eén bom was genoeg geweest om gansch de fabriek en de helft van Zandvoorde in de lucht te laten vliegen, later meer daarover.

Van August 1942 heb ik dan regelmatig drie avonden in de week, in de café Prosper, de Nieuwe Bruges [passage geknipt door censuur] want 5,3 fr per uur in de fabriek, daarmede kon men geen millionaire worden, tot dat de Tommies gekomen zijn, en dan is Madeleine er[27] ook komen werken daar het dan alle dagen volle bak was, nu is die gesloten voor de soldaten. “Ook iets van Zwarthemde of zoo iets”, en ‘t is te hopen met den nieuwen gerant die wij hebben dat de soldaten algauw mogen terugkomen, het is nu reeds 6 weken dat zij niet meer mogen binnenkomen. Ik oefen nu nog wat mijne oude stiel uit Tapisserie, men kan nooit genoeg in zijn leven.

Over het voetbal, niet veel bijzonders, als dat de A.S.O. niet meer is als voorheen en slechter speelt dan VGO. Maar het is ook maar oorlogsvoetbal, het is wel 4 seizoenen dat ik geen voetbal meer gezien hebt (sic) maar wij zullen wel onze schade inhalen.

Het boksen ligt nu ook in de pataten, kwestie van zwarthemden of te vele verdient gedurende de bezetting, later meer daarover, en ‘t is te hopen dat gij in de zomermaanden mag naar huis komen, nog een beetje geduld en al het beste

August

8. Brief

Oostende, 6-4-’45

[…] Gisteren is ook het eerste schip aangekomen met Belgen uit Engeland. Wanneer komt gij? We wachten op U, hoor! Ze hadden allen veel stoffe mee. Brengt gij geen gabardine mee als cadeau voor mijn verjaardag (3 april 18j) Maatbreedte, zoals U; lengte, dat hangt er dan van af zeker. En een paar schoenen maat 40 1/2 dat is dan 7 1/2 Engelsche maat, geloof ik. Verder geen nieuws en tot binnenkort.

Uw neef Georges

9. Brief

Oostende, 13-4-45

[…] Het zal onnoodig zijn voor U aan de dokken te werken want bureelwerk is er genoeg. […] Gisteren hebben we een pakje eetwaren ontvangen van Jeanne[28]; Dat doet eens plezier, hoor.

Er zijn nu al drie schepen binnengekomen waaronder ook al veel Oostendenaars. Misschien is het vijfde schip voor U? Verder geen nieuws en tot binnenkort.

Uw neef Georges

N.B. Nonkel, wanneer U dikwijls een brief of pakje zendt, waarom zendt U het niet naar den soldaat? ‘t Is omdat het veel rapper gaat.
En wanneer ge dikwijls pakken wilt maken met goed van U in, dan kunt ge het ook gerust afzenden; dan moet ge het allemaal niet sleuren wanneer ge komt. Nu daar beslist gij over.
Zoo ge dikwijls wat sigaretten bij een pakje kunt steken, dan zou pa U dankbaar zijn. U moet maar de rekeningen maken.

10. Briefkaart

Oostende, 16-4-45

Beste Nonkel,

Uw pakje den 15-4-45 ontvangen waarover we zeer tevreden zijn. De zoon van Sluyter heeft het gebracht. Ma was in heur nopjes met het naaigaren, hoor. En pa met het pakje sigaretten. En ik? Wel, met de rest. Kortom, we waren allen in den hoogste hemel. Er is ook juist weer een schip binnengelopen. Ook zijn er al veel wedergekeerd uit Duitschland. Verder geen nieuws. Groeten van allen.

Uw neef Georges

11. Briefkaart

Oostende, den 12-5-’45

Beste Nonkel

Hier alles zeer goed. Nu de V-day ingetreden is, gaan we wederom aan ‘t werk om te herstellen wat verloren gegaan is. […]

Van onze soldatenvriend weten we niets meer. Van pakjes daar moet ge niet meer voor zorgen. Wanneer gij terugkomt is dit het voornaamste. Tracht juist een zeemvel mee te brengen want hier is de kweekerij van kameelen en dromedarissen uitgestorven.

Binnenkort is alles weer op zijn pas. Tot binnen enkele weken zeker.

Uw neef Georges

12. Briefkaart

Oostende, 2-6-’45

Beste Nonkel

Brief ontvangen van 15-5-’45. U spreekt dat ge al lang geen nieuws meer ontvangen heeft, nochtans wij schrijven regelmatig. Wij zijn nog allen in goede gezondheid, hoop U hetzelfde.

Nonkel, het is juist Gij die nog niet thuis zijt. ‘t Is te hopen dat het geen 5 jaren meer duurt, hoor. Albert, Alfred en Emiel zijn al thuis.

En van werk dat zult ge genoeg vinden.

Verder geen nieuws en tot binnenkort.

Uw neef Georges

13. Briefkaart

Oostende, 2-7-45

Nieuws ontvangen van 17-6-45.  Ik las dat U denk (sic) binnen de eerste zes weken thuis te zijn. ‘t Is hoog tijd, hoor! Ik heb U ook wat dagbladen gestuurd. Een beetje van alle gedachten, zoo. En toch geen één die deugd (sic).

Nonkel, met de complimenten van pa, vraagt of ge nu al denkt om naar huis te komen, zoo niet, zegt gij, ge kunt daar blijven. Hij had al een 1/2 kg kersen gekocht voor U maar ze zijn bijna op. ‘t Is ook juist wederom een schip toegekomen vandaag. Verder geen nieuws en tot in de eerste zes weken.

Uw neef Georges

 


[1] 16 shillings en 6 pence. Er waren 20 shillings in een pound en 12 pence in een shilling.

[2] 28 shillings en 6 pence

[3] 7 shillings en 6 pence

[4] Ongeveer 75 kg.

[5] Zie hiervoor kaartje van 11 december 1944.

[6] gestikt

[7] een tijdje geleden

[8] Passeren, overvliegen

[9] gebomd

[10] tijdig

[11] Op kruispunt van Petit Paris werd een hakenkruisvlag gelegd, als verwittiging voor de piloten dat de Wehrmacht de stad al had bezet.

[12] Van de brokken gedeeld

[13] Pa was gemobiliseerd en bestuurde een militair voertuig

[14] Op tijd, regelmatig

[15] moorddadig

[16] De koninklijke villa

[17] Basis voor onderzeeërs

[18] Van de kaart geveegd

[19] Wat bedoelt de schrijver hier?

[20] Vaders vriend en later zijn schoonbroer.

[21] Waarschijnlijk de soldaat die het pakje meebracht.

[22] Uitstekend passen

[23] Waarschijnlijk de soldaat die brieven en pakjes van en naar Engeland meeneemt.

[24] Een zoon

[25] plaat

[26] Geen logisch verband.

[27] Nu gaat het wel degelijk verder over het Achturenhuis.

[28] Vriendin van de moeder van G. eveneens gevlucht naar Engeland.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>