Verschenen in Biekorf jg. 125 (2025), p. 468-80
In 1854 was Oostende nog een militaire vestingstad, opgesloten binnen een carcan van wallen en walgrachten. Al in de 18de eeuw was de oude omwalling aan de zuidkant gesloopt voor het uitgraven van de drie handelsdokken en de nieuwe wijk van het Hazegras[1], waarrond Napoleon opnieuw vestingen liet optrekken. Grosso modo was de stad in 1854 dus beperkt tot het huidig centrum en de wijk van het Hazegras. De vestingen zouden pas helemaal worden ontmanteld tussen 1865 en 1875. Dat de stad haar militaire functie inwisselde voor het opkomende toerisme, was uiteraard bevorderlijk voor de welvaart van de bewoners.
De unionist[2] Henri François Serruys[3] was burgemeester tussen 1835 en 1861. Na hem zou de stad tot 1959, met uitzondering van enkele jaren tijdens de Tweede Wereldoorlog, ononderbroken bestuurd blijven door liberale burgemeesters. Rond 1850 telde ze iets meer dan 15 000 inwoners van wie bv. in 1851 amper 476 begoede inwoners waren ingeschreven op de kiezerslijsten. Zo gingen er voor de gedeeltelijke gemeenteraadsverkiezingen van datzelfde jaar in oktober 407 Oostendenaars stemmen en in november, voor de vervanging van een ontslagnemend gemeenteraadslid, amper 233[4]. Continue reading










