Het Oostends activisme in het archief van de Raad van Vlaanderen

Verschenen in Biekorf, jaargang 2017, nummer 3 (september), p. 276 – 303

Ter gelegenheid van de herdenking van de Eerste Wereldoorlog bracht het Rijksarchief het archief van de Raad van Vlaanderen onder de aandacht. De introductie en de gedetailleerde inventaris van Luc Vandeweyer zijn samen met een aantal representatieve stukken sedert begin 2016 online[1] beschikbaar.

In dit Conglomeraatsarchief zijn documenten ondergebracht afkomstig van de Raad van Vlaanderen, van de semi-autonome administraties[2] en van de naoorlogse bezitters van het archief. Luc Vandeweyer beschrijft de bewogen geschiedenis van de collectie: in oktober 1918 werden documenten afkomstig van diverse diensten haastig verzameld en door archivaris-activist Albert Vlamynck[3] in Leipzig in veiligheid gebracht. In de eerste jaren na de oorlog hadden de naar Duitsland gevluchte activisten toegang tot het archief. Ze probeerden te verhinderen dat het in handen van het Belgisch gerecht zou vallen. Halfweg de jaren 1920 kwam het onder duistere omstandigheden terecht bij de Nationale Bond voor de Belgische Eenheid (Ligue Nationale) die het ontrafelde en daarna toevertrouwde aan de Commission des Archives de Guerre die later opging in het Rijksarchief. Omdat het archiefmateriaal bevatte dat best niet opnieuw in Duitse handen zou vallen, werd het in 1940 overgebracht naar Engeland waar het ernstige schade opliep. In 1945 kwam het terug naar België en bleef tot 1991[4] ontoegankelijk. De Belgische patriotten die, onder leiding van o.a. Armand Wullus (beter gekend als “Rudiger”[5]), na 1925 het archief[6] hebben “onderzocht” met als bedoeling van de Vlaamse beweging in zijn geheel te beschadigen, hebben niet alleen heel wat dossiers door elkaar gehaald of opnieuw geklasseerd maar ook eigen documenten en beschrijvingen toegevoegd. Van die laatste vinden we in de dossiers 5505 en 5467[7] een overzicht van respectievelijk de West-Vlaamse en de Oostendse activisten en hun medewerkers. Continue reading

De activistische beweging in Oostende

Deel 1: verschenen in Biekorf, jaargang 2016, nummer 2
Deel 2: te verschijnen in Biekorf, jaargang 2016, nummer 3

Ontstaan en ontwikkeling van het activisme[1] 

Eugeen van Oye, de best gekende Oostendse activist maar niet de echte voorman …

Als een gevolg van het gewijzigd kiessysteem[2] slaagde de Vlaamse Beweging er na de eeuwwisseling steeds minder in om via parlementaire weg haar eisen te realiseren. Vanaf eind 1914 probeerden flaminganten, activisten[3] genoemd, de Duitse bezetter voor hun kar te spannen voor het realiseren van hun programma: de vernederlandsing van de Gentse Franstalige universiteit, gebruik van het Nederlands in gerecht, bestuur en onderwijs en een vorm van zelfbestuur voor Vlaanderen. De meest radicale vleugel waren de Jong-Vlamingen, een beweging in Gent opgericht door de Nederlandse dominee Jan Derk Domela Nieuwenhuis Nijegaard (1870 – 1955)[4]. Ze beoogden de verdwijning van het “wangedrocht België”, de administratieve scheiding van Vlaanderen en Wallonië op basis van de taalgrens en de inlijving van Frans-Vlaanderen. Over hoe Vlaanderen er na de Duitse eindzege zou moeten uitzien, liepen de meningen uiteen: sommige Jong-Vlamingen streefden de volledige onafhankelijkheid van Vlaanderen na, anderen wilden Vlaanderen integreren binnen het Duitse Rijk, nog anderen binnen een bond van Germaanse staten. Domela wist dat er voor een Groot-Nederland weinig steun was in het Noorden.

De Duitsers namen de voornaamste activistische eisen over in hun eigen Flamenpolitik[5]. Zo hoopten ze niet alleen Vlaanderen definitief in hun invloedssfeer te zullen houden maar ook hun blazoen bij de Vlamingen op te smukken na de vele wreedheden tijdens hun opmars begaan, hun mateloze opeisingen, de deportaties en de verplichte arbeid in Duitsland. Dat koning Albert aan het IJzerfront en de Belgische regering in Le Havre halsstarrig weigerden te beloven na de oorlog aan de Vlaamse verzuchtingen tegemoet te komen, speelde in de kaart van zowel de activisten als de Duitsers. Continue reading

‘De laatste boot’, roman van Frans Van den Weghe

Na activisme en vier jaar oorlog, weer hoop op een betere toekomst 

Verschenen in De Plate, jaargang 2016, nummer maart

Het activisme in Oostende en Frans Van den Weghe

Tijdens de Eerste Wereldoorlog wilden de activisten met de steun van de Duitse bezetter[i] een aantal Vlaamse eisen realiseren, o.a. de volledige vernederlandsing van het middelbaar en hoger onderwijs en zelfbestuur voor Vlaanderen.  Stadsbibliothecaris Eugeen Everaerts en dokter-dichter Eugeen van Oye waren de plaatselijke voortrekkers van het activisme. Er was ook een harde kern leraars actief in het Oostends atheneum: Leo Van den Bogaert, Jérome Decroos, Marie-Joseph Grauls en Frans Van den Weghe[ii]. Parallel met de opkomst van het activisme, ontstond aan de IJzer de Frontbeweging, een antwoord van de Vlaamse piotten op de vele vernederingen door het Franstalig officierenkorps. Uiteindelijk zouden activisme en Frontbeweging elkaar vinden en na de oorlog opgaan in de Frontpartij.

Frans Van den Weghe (Sint-Jans-Molenbeek 1868 – Eindhoven 1937)[iii], studeerde Germaanse filologie in Gent waar hij ook actief was in de flamingantische vrijzinnige studentenbeweging. In 1892 werd hij aangesteld als leraar aan het Oostends atheneum en aan de zeevaartschool. In 1897 stond hij samen met Everaerts aan de wieg van de Oostendse afdeling van het Algemeen Nederlands Verbond. Zowel in het atheneum als in de activistische beweging was Van den Weghe de kompaan en rechterhand van Leo Van den Bogaert met wie hij in 1915 het Zevenpunten Programma van de Jong-Vlaamse Beweging[iv] onderschreef. Volgens zijn collega Gustaaf Lefèvre[v], liet zijn gezag bij de leerlingen te wensen over en genoot hij weinig respect vanwege zijn nauwe contacten met de bezetter, net als Van den Bogaert trouwens. Hij zou bovendien een alcoholprobleem hebben gehad, wat hijzelf later heeft ontkend. Als activist ijverde hij voor de vernederlandsing van de Gentse universiteit en, eens het zover was, was hij ook aanwezig bij de opening ervan. In 1918 organiseerde hij talrijke meetings in Oostende en omgeving en nam er ook het woord. In het spoor van Leo Van den Bogaert en door toedoen van de bezetter, werd hij in 1917 waarnemend prefect van het atheneum maar kort erna weer afgezet na een protestactie van de leerlingen. Hij was ook lokaal correspondent van het activistisch dagblad Gazet van Brussel. Op 8 november 1918 werd hij als leraar geschorst en bij KB van 1 december 1919 met terugwerkende kracht definitief uit het ambt gezet[vi]. Continue reading

100 jaar geleden schreef Sylvain Van Praet in zijn dagboek


14 oktober 1914 was de eerste dag van de Duitse bezetting. Hier komen elke dag in eigen vertaling de gebeurtenissen verteld door de Oostendse stadsbediende Sylvain Van Praet die zijn onuitgegeven dagboek - The occupation of Ostend by the Germans – in het Engels bijhield tot aan de bevrijding van de stad in oktober 1918. Veel leesgenot.

 

Afkortingen en tekens

Dagboek Van Praet 1914

Dagboek Van Praet 1915

Dagboek Van Praet 1916

Dagboek Van Praet 1917

Dagboek Van Praet 1918

Oostende, Maandag 15 – Dinsdag 23 April 1918.

Het valt op hoe weinig paarden de Duitsers nog hebben. Dagelijks zien we soldaten karren voorttrekken en ezels kanonnen. De weinig overgebleven paarden zijn niet om aan te zien. De zeldzame dieren die nog in het bezit zijn van de burgerbevolking, ook niet trouwens. Ze zijn allemaal vel over been.

De Duitse overheid heeft het in omloop brengen van nieuwe kasbonnen verboden. Nu al zijn er voor een totaal van zestien miljoen van die papieren uitgebracht. Het stadsbestuur was dus genoodzaakt om een nieuwe lening aan te gaan bij het Gemeentekrediet in Brussel. Er werden drie leningen afgesloten: één van 1 300 000 BEF om de interest te kunnen vereffenen op de lening van 25 000 000 BEF uit 1898; een tweede lening van 2 000 000 BEF voor de gewone uitgaven van de stad en een derde van 3 000 000 BEF om de bezetting te bekostigen. Momenteel is van de twee laatste leningen al het tweede deel opgenomen (500 000 en 750 000 BEF). Het derde deel is aangevraagd.

Omdat de stad zoveel opeisingen moest doen, kon ze niet anders dan de vergoeding aan de eigenaars stopzetten tot na ontvangst van het tweede deel van de leningen. De stadskas zal nu ook de som van 600 000 BEF aan de Duitse overheid overmaken voor gemaakte kosten. De Oostendenaars krijgen voorlopig wel geen vergoeding voor de inkwartiering van militairen. Gezien de slechte toestand van haar financiën, kreeg de stad een subsidie van 100 000 BEF vanwege het “Gouvernement”[1].

In de nacht van de 17de op de 18de april werd de stad ondanks het bar slechte weer nogmaals gebombardeerd. De ontploffingen volgden elkaar op en telkens lichtte de stad op. Voor ons betekende het een nieuwe rush naar de kelder onder de Sint-Jozefskerk.

De granaten zijn allemaal ontploft aan de westkant van de stad, in Mariakerke. Het wijkcommissariaat – op de hoek van de Northlaan en de Nieuwpoortsesteenweg[2] – werd volledig vernield. Twee politieagenten kwamen onder het puin terecht, maar alleen agent René Declerck[3] is zwaargewond. Verschillende huizen zijn vernield of beschadigd maar er waren geen doden. Een granaat is midden in het oud kerkhof ontploft en heeft verschillende graven vernield.

Vandaag 19 april, tussen 11 en 12 uur ’s middags, zijn twee granaten of bommen ontploft in de buurt van de Spuikom. Volgende personen[4] werden gewond:

Henri Rodenbach, 65 jaar, Romestraat 62, zwaar en Berthe Gallin, 17 jaar, Vrijhavenstraat 31, licht gewond.

Om halfzes deze avond losten enkele vliegtuigen bommen in de omgeving van de kazerne. Naast verschillende militairen, werden volgende burgers gedood of verwond[5]:

gedood:

Oscar Derudder, 33 jaar, Rogierlaan 65

zwaar gewond:

Jules Demeester, 55 jaar, Wapenplein 15

Ed. Vanrenterghem, 54 jaar, Arbeidstraat[6] 5

Esther Dudal, 8 jaar, de Smet de Naeyerlaan 31

licht gewond:

Gilbert Dudal, 3 jaar, idem

Hélène Vanhecke, 43 jaar, idem. 

Demeester, Vanrenterghem en Rodenbach zijn ondertussen overleden.Op 20 april, rond 17u00 Duitse tijd, hebben de geallieerden de stad nog maar eens beschoten. Nu lag vooral de wijk Mariakerke onder vuur. De meeste granaten zijn ontploft in zee of op het strand. Er zijn geen slachtoffers en ook geen schade.

De nacht van de 22ste op de 23ste en de daaropvolgende dag zullen in het geheugen van elke Oostendenaar gegrift blijven.

s’ Middags om 12.15 uur Duitse tijd, barstte een zwaar bombardement los. Op enkele minuten stonden we in de kelder van de Sint-Jozefskerk. Voortaan is de ingang ‘s nachts verlicht met een blauwe gaslamp.

Alle kustbatterijen begonnen te vuren terwijl talrijke geallieerde granaten explodeerden. We konden zonder veel moeite de Duitse batterijen onderscheiden die schoten in de richting van de zee. De beschieting duurde twee en een half uur.

Toen ik ’s morgens rond 9 uur arriveerde op mijn werk, vernam ik dat dozijnen granaten waren ontploft in de Vuurtorenwijk, meer bepaald in de Heist- en de Fortstraat. De granaat die terechtkwam in de Schippersstraat is niet ontploft. Andere tuigen kwamen neer in de Steensedijk, in de Aartshertogstraat en in de Leffingestraat. De Kommandantur gaf opdracht om tweehonderd man (werklui of inwoners, het was om het even) naar deze straten te sturen om de bomkraters op te vullen.

Deze beschieting is één van de zwaarste die we hebben meegemaakt.

Hierna de naamlijst[7] van twee families die van de aardbol zijn geveegd:

gedood:

August Jonckheere, 22 jaar, Steensedijk 57

Louis Jonckheere, 17 jaar, idem

Angèle Jonckheere, 16 jaar, idem

Irma Jonckheere, 15 jaar, idem

Madeleine Jonckheere, 11 jaar, idem

Louis Deputter, 49 jaar, Steensedijk 59

Eugénie Coeneye, 45 jaar, idem

Marie Deputter, 19 jaar, idem

Marguerite Deputter, 17 jaar, idem

Valentine Deputter, 7 jaar, idem

zwaar gewond:

Alphonse Deputter, 10 jaar, idem (kort nadien overleden)

Ernestine Deputter, 14 jaar, idem (kort nadien overleden).

Kort daarop ging het nieuws rond dat twee geallieerde oorlogsbodems (lichte kruisers) de haven aan de oostkant waren binnengevaren met de bedoeling deze kruisers tot zinken te brengen en zodoende de haven te blokkeren. De geallieerden hadden in Zeebrugge dezelfde strategie toegepast, echter met meer succes.

Om 9 uur probeerde een geallieerde piloot dan de twee schepen te bombarderen en ze zo tot zinken te brengen.

Rond 14 uur zag ik vanaf de zeepromenade dat de twee oorlogsbodems naast elkaar op het strand waren vastgelopen, ongeveer ter hoogte van Hotel de L’Espérance. Eén ervan stond in brand en af en toe was er een explosie aan boord. De twee schoorstenen van de schepen waren nog intact maar ze waren hun masten kwijt. De beschietingen hadden er schroot van gemaakt. De schepen waren dus niet tot in de haven geraakt.

Terwijl zo’n vijfhonderd kijklustigen (voor het merendeel militairen) stonden toe te kijken, vlogen twee geallieerde vliegtuigen over. Gelukkig zonder bommen af te werpen. Op dat moment verschenen plots drie Duitse watervliegtuigen op minder dan honderd meter boven ons. Hun machinegeweren begonnen te schieten op de toeschouwers. De paniek was onbeschrijflijk. De massa stoof uiteen, weg van het gevaar. Waarom dat plotse schieten op de menigte?

Twee minuten later zag ik een Duitse officier met een beenwonde en een gewonde marinesoldaat liggen. Ze werden beiden naar een lazaret overgebracht. De laatste had wel een dozijn kogels in zijn lichaam gekregen en was al stervende toen hij werd weggebracht. Dit keer had ik van dicht bij de dood gezien!

Om 17.30 uur Duitse tijd verliet ik mijn kantoor en begaf me naar de Kommandantur om meer informatie te krijgen. Op dat moment vlogen geallieerde vliegtuigen over en gooiden bommen in de Kerkstraat, in de Sint-Sebastiaanstraat, rond Petit Paris, enz. Eenmaal /terug in mijn kantoor, waar twee ruiten waren gesneuveld, hoorde ik dat er ten minste negen personen waren omgekomen en dat er zeker twintig gewond waren. Het dodental liep uiteindelijk op tot vijftien en tot zesentwintig met die van de nacht voordien erbij. Zesentwintig doden in vierentwintig uur!

Om 19 uur was ik aan Petit Paris waar een bom verschillende inwoners had gedood of verwond. Op dat eigenste moment vlogen weer drie tuigen over die bommen afwierpen op de stad. Gelukkig vielen er nu geen slachtoffers meer onder de burgerbevolking maar er werden wel drie militairen zwaar toegetakeld.

Een dag vol akelige en niet te voorziene verrassingen!

 

[1] De Zivilverwaltung in Brugge? De gevolmachtigden in Brussel ?

[2] Chaussée de Thourout, zowel in Ms als in Ts. Waar de nieuwe zwemkom zal komen.

[3] Ook vermeld in Duinengalm van 12 november 1920.

[4] Deze slachtoffers en ook deze hierna worden niet vermeld in Duinengalm van 12 november 1920. Oscar Derudder staat in de lijst van Elleboudt-Lefèvre, p. 567.

[5] Een drietal worden vermeld in Elleboudt-Lefèvre, p. 567.

[6] Naam was al in 1912 veranderd in Schoolstraat. Nu Dokter Verhaeghestraat. Zie D. DESCHACHT, p. 21.

[7] Zie ook Duinengalm van 12 november 1920 en ELLE p. 566-67. Elleboudt-Lefèvre  schrijft Augusta Jonckheere i.p.v. August.

© Vertaling John Aspeslagh. Tekst overnemen kan mits bronvermelding.

Over de eerste oorlogsweken:

Een vergeten ooggetuige in Oostende tussen 21 en 26 oktober 1914

Voor de volledige tekst van deze bijdrage, zie De Plate, jaargang 42, nummer 10 (oktober 2014), p. 228-242.

De eerste beschieting van Oostende vanuit zee vond plaats op 23 oktober 1914 en wordt beschreven in de Oostendse oorlogsdagboeken van Elleboudt-Lefèvre, Smissaert en Van Praet. Van die beschieting en van de gebeurtenissen in Oostende en aan de kust tussen 21 en 26 oktober bestaat ook een ooggetuigenverslag van de Zweed Sven Anders Hedin.

Sven Anders Hedin

Sven Anders Hedin (1865-1952)[1] was niet de eerste de beste. De Zweed is vooral gekend als geograaf en ontdekkingsreiziger en publiceerde heel wat rond zijn reizen en expedities in centraal Azië. Zijn reisverhalen illustreerde hij met zelfgemaakte foto’s. Hij had een tijd gestudeerd in Duitsland waar hij zijn bewondering opdeed voor het Duitse Rijk en voor keizer Wilhelm II. Tijdens de Eerste Wereldoorlog was Zweden neutraal maar dit belette Hedin niet om uit te komen voor zijn pro-Duitse gevoelens. Zijn geloof in de Duitse eindoverwinning, gepaard met zijn diepe minachting voor Groot-Brittannië, stak hij niet onder stoelen of banken, ventileerde het ook in de Zweedse en Duitse pers[2]. Omdat de oorlogsjaren niet het geschikte moment waren om verre reizen te ondernemen, gooide Hedin het over een ander boeg. In de maanden september en oktober 1914 vinden we hem, “auf Einladung des Kaisers”[3], aan het westelijk front waar hij de Duitse troepen volgde in België en Frankrijk. Door zijn goede relaties met de Duitse legerleiding kon hij zich zo goed als vrij bewegen in het oorlogsgebied. Op 8 november is hij terug in Berlijn. Tijdens de daaropvolgende weken schrijft hij zijn relaas dat in de eerste maanden van 1915 verschijnt onder de titel Ein Volk in Waffen. Continue reading

Oostende in de verdediging

Oostende vóór de bezetting door de Duitsers
Tien weken om niet te vergeten
Begin augustus – half oktober 1914

Nadat de Oostendenaars van het oorlogsnieuws bekomen zijn en de eerste paniek van zich hebben afgezet, breken enkele weken aan waarvoor men vijfentwintig jaar later een naam zal vinden, de “drôle de guerre“. Begin augustus 1914 speelt de oorlog zich nog ver van de kust af. De ernst van de toestand dringt pas echt door als Luik, Brussel en Gent in handen van de vijand vallen. Alle hoop blijft gericht op de forten rond Antwerpen die de Duitse aanval definitief moeten afslaan.

Dag na dag komt de oorlog dichter. Niet alleen de vluchtelingen en de gewonden vinden de weg naar de kust, ook de Duitsers komen op verkenning in de kustprovincie. Eind augustus wordt de streek een eerste keer geconfronteerd met een vijandelijke voorhoede die teruggeslagen wordt aan de Snaaskerkebrug. Twee weken later is het weer prijs aan het Roggeveld, tussen Zarren en Esen. Het optimisme waarmee de kranten tot op het laatste moment de gebeurtenissen proberen te verslaan, wijkt meer en meer voor het pessimisme van de harde realiteit, zeker als Antwerpen valt en de regering naar Oostende vlucht. Als die na enkele dagen opnieuw vertrekt, is het duidelijk: de situatie is hopeloos. Het is nu nog een kwestie van enkele uren eer de Duitsers Oostende zullen bezetten. Op 15 oktober om half tien is het zover en het zal vier lange en bange jaren wachten zijn op hun vertrek. Continue reading

Al die mondjes hebben honger

Oostende vóór de bezetting door de Duitsers
Tien weken om niet te vergeten
Begin augustus – half oktober 1914

In de nacht van zaterdag op zondag 2 augustus dragen Rijkswacht en politie de oproepingsbrieven voor de algemene mobilisatie rond. Op maandag 3 augustus is het dan zover: Duitsland verklaart de oorlog.

De bevolking geraakt in paniek en neemt voorzorgen. Marktkramers weigeren bankbiljetten omdat geruchten de ronde doen dat het papieren geld de helft van zijn waarde heeft verloren. Oostendenaars en toeristen bestormen de plaatselijke Nationale Bank om biljetten voor muntstukken te wisselen. Politieversterking komt erbij te pas en de brandweer moet nadarafsluitingen plaatsen. De agenten slagen er niet in om de menigte te bedwingen en de burgemeester laat militairen aanrukken. Pasmunt wordt met het uur zeldzamer. De Handelskamer roept op tot kalmte en verzekert dat als de Nationale Bank de nodige tijd krijgt, ze alle aangeboden biljetten zal omwisselen in muntstukken. De Nationale Bank laat voor twintig miljoen BEF extra gouden munten slaan.

Op de Groentenmarkt is het één en al verwarring. Sommige marktkramers profiteren van de situatie. De aardappelen die ze voor dag en dauw tegen een spotprijs aankochten bij de tuinbouwers, verkopen ze op de markt aan 80 centimen voor 3 kilo’s[1]. De kooplustigen pikken dit niet en vóór de politie ter plaatse komt, hebben ze al kramen omvergegooid en meerdere kilo’s patatten meegegritst. Continue reading

Oostende overspoeld door de vluchtelingen

Oostende vóór de bezetting door de Duitsers
Tien weken om niet te vergeten
Begin augustus – half oktober 1914

 

Op dinsdag 4 augustus valt Duitsland België binnen. De invallers ondervinden meer weerstand dan verwacht. De Luikse forten houden een tijdje stand. Eens Luik ingenomen, gaan de Duitsers vlug vooruit. In het westelijk deel van het land houdt men de toestand aan het front nauwlettend in het oog. Er zijn niet alleen de militaire operaties maar ook de wreedheden t.o.v. de burgerbevolking. De Duitsers verwijten Burgerwachten en inwoners dat ze achterhoedegevechten leveren, aan spionageactiviteiten doen en Duitse militairen beschieten. Meestal echter zijn het de Duitsers zelf die elkaar per ongeluk beschieten en ook Franse soldaten op de terugtocht. Het is algemeen bekend hoe de Duitsers reageerden: standrechtelijke terechtstelling van verdachten en van gijzelaars, in brand steken van huizen en gebouwen, enz. Daar kunnen de inwoners van Dinant, Aarschot, Leuven en nog andere locaties van mee spreken. Die wreedheden geraken niet alleen vlug bekend in het nog niet bezette deel van het land maar ook in het buitenland waar de sympathie voor “poor little Belgium” met de dag groeit.

Tussen 4 augustus en 15 oktober 1914 (de eerste dag van de bezetting van Oostende) verlopen zes weken van onzekerheid en paniek met als gevolg een enorme stroom vluchtelingen die zich beweegt van Oost naar West. Geleidelijk bereikt die mensenvloed de kustlijn van waaruit velen via Oostende naar Groot-Brittannië hopen te ontkomen. Tussen begin augustus en 13 oktober, de dag waarop de laatste maalboot de haven uitvaart, worden zo’n 80 000 vluchtelingen[1] naar Engeland verscheept, bijna het dubbele van de Oostendse bevolking van toen. Dit geeft een idee van de impact en de druk die van deze vluchtende mensenmassa uitging op de lokale bevolking en de voorzieningen. Er zouden nog meer mensen het kanaal hebben overgestoken als er voldoende schepen waren geweest en meer overvaarten mogelijk. Maar de maalboten worden op de eerste plaats voor troepentransporten ingezet en voor vervoer van gewonde militairen vanuit het belegerde Antwerpen. Zo komt het dat vele vluchtelingen tegen wil en dank in Oostende achterblijven en pas na de bezetting van de stad op eigen initiatief of door uitdrijving naar huis terugkeren. Continue reading

Oostende tijdens de Eerste Wereldoorlog: authentieke bronnen

Oostende vóór de bezetting door de Duitsers
Tien weken om niet te vergeten
Begin augustus – half oktober 1914

 

Vier jaar onder de klauwen der duitsche barbaren is de veelzeggende titel van het oorlogsdagboek dat gemeenteraadslid en dagbladuitgever Aimé Smissaert[1] publiceerde in De Duinengalm. De eerste aflevering verscheen in de editie van 1 december 1919 en de laatste – die van 17 november 1915, de 399ste oorlogsdag – in De Duinengalm van 24 december 1922. In de digitale GOD[2]-collectie zijn er in totaal 163 afleveringen beschikbaar. De Bibliotheek Kris Lambert van Oostende en het Flanders Fields Museum van Ieper bezitten fotokopieën van de 26 afleveringen[3] die daarop volgen. Er zijn twee hiaten: één van iets meer dan een jaar voor de periode van half september 1916 tot half oktober 1917 en een tweede voor de laatste oorlogsweken, van eind april tot aan de bevrijding van Oostende op 17 oktober 1918. Het heemkundig tijdschrift De Plate publiceerde de eerste zestig afleveringen[4]. Continue reading

Het seizoen 1914 in Oostende: de ‘beau monde’ ontvlucht de stad

Oostende vóór de bezetting door de Duitsers
Tien weken om niet te vergeten
Begin augustus – half oktober 1914

 

Eind juli is het aan de kust business as usual: prachtig weer, het seizoen draait op volle toeren en casino en schouwburg maken hun programmatie voor de komende winter bekend. Alleen maar goed nieuws in de mondaine badstad!

Een eerste donkere wolk verscheen in Le Carillon van 30 juni en 1 juli. We vinden er het verhaal van de moord op de Oostenrijkse aartshertogen die de anarchist Gavrilo Princip twee dagen eerder had gepleegd in Sarajevo. In Le Littoral, L’Echo en La Saison d’Ostende[1] gaat deze gebeurtenis ongemerkt voorbij. Continue reading