Het Visserijmuseum Oostduinkerke-Koksijde

De Martha kreeg een plaats midden in het museum

Het Nationaal Visserijmuseum Navigo ligt achter het vroeger gemeentehuis van de deelgemeente Oostuinkerke en omvat naast het modern en functioneel museumgedeelte, ook een vissershuisje en het estaminet De Peerdevisscher.

Het initiatief dateert al van 1932 toen een eerste museum werd ingericht in een bovenzaal van het gemeentehuis. De eerste steen van het huidig gebouw werd ingemetseld door minister Renaat Van Elslande in 1963. Het zou echter wachten zijn tot 1976 voor de officiële inhuldiging door dezelfde minister. De museumsite bevindt zich in feite op de locatie van het oud gemeentelijk kerkhof.

Zowel het vissershuisje als het estaminet werden met origineel meubilair en materiaal ingericht. De cafémeubels zijn afkomstig van oude drankgelegenheden uit de Westhoek.

     
     

Het eigenlijk museum is opgebouwd rond het kustvissersvaartuig  Martha dat in 1942 van de scheepswerf liep en nu een vaste plaats kreeg in het museum. Op het niveau van het schip kan de bezoeker kennis maken met alles wat met visserij te maken heeft (vissersschepen op schaalmodel, telefonie, radar, …) en op het laagste niveau, in de kelder, ontdekt men het leven onder water. De belangrijkste Noordzeevissen zwemmen hier in grote aquaria waarvan het water dagelijks met aangevoerd zeewater wordt ververst. Op de achtergrond hoort men het geluid van de zee afgewisseld met stormwind, zware donder en bliksemschichten.

Aan de hand van maquettes, schilderijen, foto- en ander materiaal kan de bezoeker de geschiedenis en de evolutie van de Vlaamse zeevisserij volgen.

De oudste vorm is de strandvisserij die drie vormen kan aannemen:

  • het plaatsen of leggen van netten op het strand. Door het spel van de getijden komen die netten onder water en na het terugtrekken ervan bij ebbe blijven daarin vissen achter. Deze vorm van visserij werd al beschreven door de Latijnse auteur Plinius de Oudere in Naturalis Historia[1]. Plinius  ontdekte die manier van vissen bij de Chauci, een Germaanse volksstam die leefde op de Duitse kusten, tussen Eems en Elbe. Het spel van ebbe en vloed was een fenomeen dat men uiteraard niet kende aan de Middellandse zee.
  • Het kruien op garnaal en kleine vissoorten, voornamelijk beoefend door vissersvrouwen die nadien hun vangst aan de man brachten.
  • Het vissen vooraan in het water met paarden of ezels. Deze manier van vissen bestond op vele plaatsen aan de Noordzeekust maar bleef het langst beoefend in Oostduinkerke waar het ondertussen nog verder bestaat als een jaarlijkse folkloristische activiteit.

In latere tijden ontstond de kustvisserij met kleine boten en sloepen en nog later de IJslandvaart, eerst met zeilschepen die vertrokken uit Grevelingen, Duinkerke en Oostende en nadien met motorvaartuigen. De zeilschepen waren zo’n zes maanden weg van huis.

Aan de hand van het fotomateriaal kunnen we heel gedetailleerd het leven aan boord van zo’n zeilschip volgen. De bemanning bestond uit een kleine twintig man die leefden in ongelooflijk erbarmelijke hygiënische omstandigheden. De kabeljauw werd met vislijnen gevangen, gekuist en in zout bewaard in houten kuipen. Wanneer de vangst klein was, sprak men van een “kale reis”. Vandaar de uitdrukking “van een kale reis thuiskomen”.

     
     

Er was eten en drank aan boord voor drie maanden en in IJsland werd er opnieuw voorraad ingeslagen. De maaltijden bestonden bijna uitsluitend uit vis, aardappelen of witte bonen. Eieren werden ingewreven met olie en regelmatig gedraaid. Er waren onvoldoende kooien zodat de bemanning beurtelings een kooi moest delen. Van zich wassen,  scheren of wondverzorging was er geen sprake. Geen wonder dat ziekten de bemanning ondermijnden. En dan spreken we nog niet over de gevaren, de stormen, de vele vissers die op zee aan hun einde kwamen en de ellende en het armmoedig leven die de weduwe nadien te wachten stonden. Tussen 1870 en 1899 bv. zijn niet minder dan 643 IJslandvaarders op zee achtergebleven.

Aquaria met zeevissen

Vandaar ook de belangrijke rol die geloof en devotie maar ook bijgeloof speelden in het vissersleven. Devotievoorwerpen zijn in een afzonderlijke ruimte van het museum samengebracht.

Een uitzonderlijk museum, het bezichtigen waard, zo rijk dat wie alles in detail wil zien, wel een tweede bezoek mag plannen.

 

 


[1]Daar overstroomt de zee tweemaal daags een onmetelijk gebied, zodat men bij deze eeuwige strijd van de natuur twijfelt, of die streek tot het vasteland of tot de zee behoort. Er woont een armzalig volk in hutten op heuvels en duinen die ze ter hoogte van de vloed opwerpen. Als het water opkomt, zou men denken dat het vaartuigen zijn, maar is de zee teruggetrokken dan liggen de woonsten op het strand. In de nabijheid van hun hutten maken zij jacht op vissen die met de zee aftrekken. Van zeewier en biezen draaien ze een soort garen waarmee ze netten voor de visvangst vlechten“. Plinius, Naturalis Historia, XVI, 2-4.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>