Plannen voor twee provinciale landbouwscholen in Kortemark afgelast

De 29 percelen die de provincie verkocht in januari 1924. Archief provincie West-Vlaanderen.

Na de Eerste Wereldoorlog begon het provinciebestuur eindelijk aandacht te hebben voor het landbouwonderwijs. Landbouw was toen immers de voornaamste economische activiteit van onze provincie. De plotse belangstelling voor subsidiëring van het landbouwonderwijs was dan ook ingegeven door motieven “van gewestelijken invloed”, m.a.w. economische motieven: steun aan opleidingen die bijdroegen tot de welvaart en de ontwikkeling van de streek.

Na de wapenstilstand van 1918 had de provincie gronden aangekocht in Kortemark en Handzame om er respectievelijk een landbouwschool voor jongens en een landbouwhuishoudschool voor meisjes op te richten[1]. De twee hoeven – samen zo’n 42 hectare, aangekocht voor een bedrag van 151 373 BEF – waren gelegen op de wijk Amersvelde, aan beide kanten van de Schaak- of Zandstraat, vlak op de gemeentegrens. Deze straat (tegenwoordig Aarsdamstraat) strekte zich toen uit van de huidige Spondestraat tot aan aan de Amersveldestraat en werd alleen doorkruist door de Krekebeek en de spoorweg De Panne – Gent[2].

In 1922 veranderde het provinciebestuur plots het geweer van schouder. In de schoot van de provincieraad werd een Bijzondere commissie opgericht om voorstellen uit te werken voor de toekomst van het provinciaal landbouwonderwijs. In de vergadering van 25 april 1922[3], onder voorzitterschap van de heer De Laey[4], formuleerde de commissie volgend voorstel: het provinciebestuur zou verzaken aan de oprichting van eigen nieuwe instellingen. In plaats daarvan zou ze twee bestaande scholen “aannemen”, wat financieel voordeliger was:

“1° Enkel twee provinciale scholen van middelbaar onderwijs zouden tot stand gebracht worden; hetzij: eene voor knechten en eene voor meisjes.

2° Deze scholen zouden gehecht worden aan reeds bestaande onderwijsgestichten; op voorwaarde dat deze in het midden der provincie gelegen zijn en een gemakkelijk verkeer per ijzerweg aanbieden. Het college van Rousselaere voor de knechten en de kostschool van Cortemarck voor meisjes bieden op bijzondere wijze die gewenschte ligging aan [...].”

Uiteraard waren er voorwaarden: het volgen van een goedgekeurd leerplan, het naleven van de wettelijke reglementering o.a. wat betreft bekwaamheidsbewijzen van het onderwijzend personeel, toezicht door de provincie via inspectie en aanwezigheid van twee afgevaardigden in het bijzonder schoolcomiteit[5], het ter beschikking stellen van lokalen en van didactisch materieel voor bijzondere landbouwleergangen of voor voordrachten gepatroneerd door de provincie. Het provinciebestuur zou daarnaast met “hulpgelden” over de brug komen voor de oprichting en het onderhoud van de gebouwen en voor de bezoldiging van het onderwijzend personeel. De plannen voor nieuwbouw of verbouwing moesten vooraf worden goedgekeurd door de bijzondere Provinciale Landbouwcommissie.

De gronden die de provincie voordien had aangekocht, zou ze nu verkopen. Hieraan ging in juli 1923 een debat in de provincieraad vooraf. De vrijzinnigen wilden het eigendom behouden om er later toch een echte provinciale landbouwschool in te richten. Andere afgevaardigden overwogen om er een “sanatorium voor teringlijders” in onder te brengen. Het eigendom werd opgedeeld in 29 percelen en in januari 1924 openbaar verkocht door notaris Tommelein van Kortemark[6].

Met steun van de provincie zetten de zusters aan de Handzamestraat een nieuw gebouw voor hun Landbouwhuishoudschool dat in 1923 in gebruik werd genomen. Tegenwoordig is dit de administratieve vleugel van het Margareta-Maria-Institutuut.

Werf van de Landbouwhuishoudschool in 1923. Schoolarchief MMI.

© John Aspeslagh

 

Deze bijdrage maakt deel uit van

Dertig jaar uit het rijke leven van een plattelandspensionaat
Kostschool en Landbouwhuishoudschool van Kortemark
1926 – 1956

Gepubliceerd in oktober 2013

 


[1] Zie SCHEPENS (L.), De provincieraad van West-Vlaanderen 1921/1978 (Tielt, 1979), blz. 116. Schepens spreekt van twee “landbouwhuishoudscholen”. Dit is uiteraard niet correct.

[2] De Staatsbaan zou pas in 1936 worden aangelegd.

[3] Schoolarchief MMI (AMMI), doorslag van het Verslag van de Bijzondere Commissie Provinciale Middelbare Landbouwscholen van West-Vlaanderen, dd 25 april 1922.

[4] Désiré De Laey (1843-1924), landbouwer, burgemeester van Hooglede en provincieraadslid. Hij staat bekend als weldoener van het plaatselijk katholiek onderwijs te Hooglede. Vanaf 1905 was hij voorzitter van de Provinciale landbouwcommissie. Hij bezat ook eigendommen in Kortemark en in Handzame; zie SCHEPENS (L.), De provincieraad van West-Vlaanderen 1836/1921 (Tielt, 1976), p. 456-57; ODIS onder De Laey Omer. Moeder overste Henriette van de zusters van de H. Vincentius had ondertussen al haar nood geklaagd in een schrijven (AMMI, Schrift V, p. 63-64) gericht aan de Heren Désiré De Laey en Jean Joseph Verhaeghe van de Provinciale Middelbare Landbouwcommissie. Het is echter een ander commissielid, nl. Jozef Van den Berghe, die de subsidiëring zou verdedigen tijdens de zitting van de voltallige Provinciale Raad van 13 juli 1922.

[5] Later Commissie van bestuur genoemd.

[6] Zie Archief Provincie West-Vlaanderen (APWV), 3/6464.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>