Karel de Grote

Karel de Grote
Op de grens tussen twee werelden
Raoul Bauer
Davidsfonds, 2013, 271 blz.

Het Davidsfonds heeft de gewoonte om rond de jaarwisseling een luxueuze uitgave op de markt te brengen. Dit jaar was Karel de Grote aan de beurt.

Weliswaar een prachtige uitgave maar naar onze mening veel te luxueus en onnodig duur. Het onhandig leesformaat (29 op 25 cm) zal waarschijnlijk ingegeven zijn uit bezorgdheid om duidelijke en voldoend grote afbeeldingen te kunnen weergeven. Er zijn inderdaad heel wat illustraties die een volledig blad beslaan maar er zijn er meer die heel wat kleiner zijn en toch heel duidelijk. Het groot formaat maakt dat de tekst over twee kolommen is gespreid en dat de publicatie eigenlijk heel zwaar en onhandig is, niet om comfortabel in een zetel te lezen. Een handiger formaat ware wenselijk geweest en ook praktischer om op te bergen in een bibliotheekkast.

De illustraties zijn heel verzorgd maar, op enkele uitzonderingen na, dateren ze allemaal uit de periode na het overlijden van de keizer, dus grosso modo tussen zijn dood en het jaar 900. Manuscripten en miniaturen vertegenwoordigen het leeuwenaandeel van de iconografie. Een levensechte voorstelling van de keizer zoekt men tevergeefs want die is niet tot ons gekomen.

Raoul Bauer start met een nogal lange inleiding over het ontstaan van het Karolingisch rijk. De grondslag legden de Merovingers en de “vadsige koningen” die uiteindelijk de plaats moesten ruimen voor hun hofmeiers die een eigen dynastie, die van de Pepiniden, creëerden en waarvan Karel de meest gekende telg is. Het rijk werd systematisch uitgebreid en zal op zijn hoogtepunt niet alleen het vroegere Gallië en een groot deel van Italië omvatten maar ook het Westen van Germanië zodat de rijksgrens niet langer de Rijn is zoals in de Romeinse tijd, maar de Elbe. Karel slaagde waarin de Romeinen nooit waren gelukt, namelijk het grootste deel van Germanië onderwerpen en bij zijn rijk inlijven. Een tweede grote verdienste van zijn grootvader Karel Martel was dat hij in 732 de opmars van de Arabieren bij Poitiers had gestopt.

 

Wat we weten over Karel de Grote komt hoofdzakelijk uit de geschriften van Alcuïnus en Einhart. Die laatste was de eigenlijke biograaf van de keizer. Zijn geschriften en die van zijn tijdgenoten werden niet geredigeerd volgens de normen van de hedendaagse historiografie en zijn dus ook wel met meerdere korreltjes zout te nemen. Raoul Bauer geeft toe dat vele feiten of daden toegeschreven aan Karel de Grote twijfelachtig zijn of op zijn minst gekleurd door de kroniekschrijver. Vandaar dat bijwoorden als “misschien, waarschijnlijk, vermoedelijk” in de tekst van Bauer legio zijn. De figuur van Karel de Grote zou trouwens zelf een mythe worden. Karel werd het hoofdpersonage van talrijke latere, middeleeuwse heldendichten of chansons de geste waaronder Karel en de Elegast en La chanson de Roland de meest gekende zijn.

 

Bauer staat nogal lang stil bij wat er gebeurde op Kerstdag van het jaar 800. Toen werd Karel de Grote door de paus tot keizer gekroond. Na de afzetting door Odoaker van de laatste West-Romeinse keizer Romulus Augustulus in 476 zou het meer dan 300 jaar duren vooraleer het Westen opnieuw een keizer kreeg. De Oost-Romeinse keizer Justinianus – ondertussen aan het hoofd van het  Byzantijnse en vergriekste Oosten – had wel een grote deel van Italië, Spanje en Noord-Afrika heroverd maar dit bleek niet duurzaam. Om de continuïteit van het Romeinse Rijk te symboliseren, was ook een moment sprake van een huwelijk tussen Karel en de Bijzantijnse keizerin Irene, maar dat huwelijk is niet doorgegaan. Uiteindelijk werd op Kerstdag 800 Karel, koning van de Franken, Rooms keizer gekroond met het duidelijk verschil dat dit nu eerder werd gezien als het keizerschap over de christenen en dat het zwaartepunt van het rijk en van de macht verschoof van de Middellandse zee naar het Noorden, meer bepaald naar het stamgebied van de Franken, nl. het gebied rond Aken waar Karel definitief zou verblijven tijdens zijn laatste levensjaren. De keizer had vooral als taak om het christenvolk te begeleiden naar de eindtijd en de terugkeer van Christus. Het jaar duizend was immers niet meer veraf.

Bauer insisteert ook op de symboliek van de kroning. Waar Romeinse keizers pas na de acclamatie van het volk, als teken van erkenning en aanvaarding, de kroon werden opgezet, zette paus Leo III eerst de kroon op Karels’ hoofd en pas nadien volgde de acclamatie. De symbolische betekenis van de handeling was duidelijk: Karel ontving de keizerlijke macht van de paus en niet van het volk. Uiteraard was dit in tegenspraak met wat in het Oosten gebruikelijk was, nl. dat de Oosterse Byzantijnse Kerk ondergeschikt was aan de keizerlijke macht, systeem dat beter gekend is onder de benaming van cesaropapisme en dat tot 1917 zou blijven bestaan in het Rusland van de tsaren. Karel bleek niet gelukkig te zijn met die gang van zaken en Einhart schrijft dat hij de kroning niet zou hebben laten doorgaan als hij vooraf had geweten wat de paus zinnens was. Het is inderdaad de spanning tussen keizerlijk en pauselijk gezag die in de middeleeuwen voortdurend zal terugkeren.

Misschien was het wel aan dit ritueel van kroning dat Napoleon Bonaparte dacht toen hij in 1804 de keizerlijke kroon uit de handen van de paus nam en zichzelf tot keizer kroonde?

De periode tijdens en vooral na de dood van Karel de Grote, beter gekend onder de benaming Karolingische Renaissance, luidde ook de herleving in van de antieke cultuur, letteren en wetenschap. Werk van Latijnse auteurs werd opnieuw gekopieerd en bleef zo bewaard voor de volgende generaties. Monumentaal beeldhouwwerk uit die tijd is niet bewaard. Het gaat vooral om edelsmeedwerk, ivoorkunst, miniaturen en verluchting van manuscripten, mozaïeken, waar invloeden en technieken uit de klassieke oudheid zich mengen met vroegchristelijke, Oosterse, Germaanse en Keltische. Wat de bouwkunst betreft, zijn er de Paltskapel van Aken en het oratorium van Germigny-des-Prés waar al elementen verwijzen naar de Romaanse kerkenbouw.

 

 

Wat Karel heel belangrijk vond, was alles wat het “Woord” betrof. Hij was met taal bezig, vond correct kunnen schrijven en lezen en interpreteren heel belangrijk niet enkel om het Woord Gods in de Bijbel correct te begrijpen en te verkondigen maar ook om wetteksten juist te interpreteren. Hierin speelde de Angelsaks Alcuïnus en zijn paleisschool een primordiale rol.

Raoul Bauer wijdt ook een hoofdstuk aan de betekenis van Karel de Grote voor Europa. Karel zorgde voor wetteksten die overal in zijn rijk van toepassing waren maar anderzijds respecteerde hij ook – waar mogelijk en compatibel – de lokale gewoonten en regels. In dit verband verwijst Bauer naar het subsidiariteitsprincipe – lokale besturen zijn het best geplaatst om oplossingen te zoeken voor eigen problemen – die de Europese Gemeenschap vandaag in het vaandel draagt. In Karels’ tijd waren het de missi dominici die de link legden tussen het centraal bestuur en de lokale machthebbers die de keizerlijke verordeningen moesten uitvoeren in respect voor en in overeenstemming met de eigen regelgeving.

Rond Karel de Grote hangt niet alleen een historisch “flou” maar de man is na zijn dood zelf uitgegroeid tot een mythisch personage in de middeleeuwse voorhoofse en hoofse literatuur. Wellicht zijn sommige Romeinse keizers historisch beter gekend dan de latere Karel de Grote, “l’empereur à la barbe fleurie”.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>