‘De laatste boot’, roman van Frans Van den Weghe

Na activisme en vier jaar oorlog, weer hoop op een betere toekomst 

Verschenen in De Plate, jaargang 2016, nummer maart

Het activisme in Oostende en Frans Van den Weghe

Tijdens de Eerste Wereldoorlog wilden de activisten met de steun van de Duitse bezetter[i] een aantal Vlaamse eisen realiseren, o.a. de volledige vernederlandsing van het middelbaar en hoger onderwijs en zelfbestuur voor Vlaanderen.  Stadsbibliothecaris Eugeen Everaerts en dokter-dichter Eugeen van Oye waren de plaatselijke voortrekkers van het activisme. Er was ook een harde kern leraars actief in het Oostends atheneum: Leo Van den Bogaert, Jérome Decroos, Marie-Joseph Grauls en Frans Van den Weghe[ii]. Parallel met de opkomst van het activisme, ontstond aan de IJzer de Frontbeweging, een antwoord van de Vlaamse piotten op de vele vernederingen door het Franstalig officierenkorps. Uiteindelijk zouden activisme en Frontbeweging elkaar vinden en na de oorlog opgaan in de Frontpartij.

Frans Van den Weghe (Sint-Jans-Molenbeek 1868 – Eindhoven 1937)[iii], studeerde Germaanse filologie in Gent waar hij ook actief was in de flamingantische vrijzinnige studentenbeweging. In 1892 werd hij aangesteld als leraar aan het Oostends atheneum en aan de zeevaartschool. In 1897 stond hij samen met Everaerts aan de wieg van de Oostendse afdeling van het Algemeen Nederlands Verbond. Zowel in het atheneum als in de activistische beweging was Van den Weghe de kompaan en rechterhand van Leo Van den Bogaert met wie hij in 1915 het Zevenpunten Programma van de Jong-Vlaamse Beweging[iv] onderschreef. Volgens zijn collega Gustaaf Lefèvre[v], liet zijn gezag bij de leerlingen te wensen over en genoot hij weinig respect vanwege zijn nauwe contacten met de bezetter, net als Van den Bogaert trouwens. Hij zou bovendien een alcoholprobleem hebben gehad, wat hijzelf later heeft ontkend. Als activist ijverde hij voor de vernederlandsing van de Gentse universiteit en, eens het zover was, was hij ook aanwezig bij de opening ervan. In 1918 organiseerde hij talrijke meetings in Oostende en omgeving en nam er ook het woord. In het spoor van Leo Van den Bogaert en door toedoen van de bezetter, werd hij in 1917 waarnemend prefect van het atheneum maar kort erna weer afgezet na een protestactie van de leerlingen. Hij was ook lokaal correspondent van het activistisch dagblad Gazet van Brussel. Op 8 november 1918 werd hij als leraar geschorst en bij KB van 1 december 1919 met terugwerkende kracht definitief uit het ambt gezet[vi].

In een pleidooi pro domo[vii] schrijft Van den Weghe:

“Als aktivist was ik ten ander onbeduidend. Ik was geen lid van de Raad van Vlaanderen of van het propagandacomité. […] De daden door mij gepleegd onder de bezetting zijn overeenkomstig met mijn voorgaande Vlaamschgezind streven en verdienen nog niet eens het aktivistisch etiket. Mijne afzetting uit mijne twee ambten – ik had de mooiste plaats in België en zou ze uit domheid niet verspelen! – roept om in-eerherstelling, want ik werd door den bezetter wegens Duitsch-vijandigheid tweemaal beboet en uit mijne verhooging ontzet. […] Ik heb openlijk verklaard[viii] dat de Duitschers niets te stellen hadden op Belgischen grond. […] Ik heb alleen onderhandelingen gehad met Duitsche officieren der kommandantur, om menschen te kunnen redden uit de klauwen van onverbiddelijke rechters of als ik moest onderhandelen met personen die door de Zivilverwaltung[ix] waren aangeduid, om dienstzaken te regelen” .

Net zoals van Oye werd Van den Weghe na de bevrijding door de militaire Sûreté opgepakt en opgesloten in Brugge.  Na vijf maanden preventieve hechtenis werd hij vrijgelaten en nam hij de wijk naar Nederland. Eind 1919 werd hij een eerste keer bij verstek veroordeeld tot één jaar opsluiting wegens verklikking van de burgemeester[x] van Heist. Op 25 juni 1920 volgde een tweede proces voor het assisenhof van Brugge en een veroordeling tot tien jaar dwangarbeid. In Ben ik een landverrader? stelt hij de zaken nogal simplistisch voor. Hij werd vervolgd, zegt hij, omdat hij met de hulp van de bezetter werd aangesteld tot prefect van het atheneum en omdat hij activistische voordrachten gaf. In het Nederlandse Tilburg werd Van den Weghe later opnieuw leraar middelbaar onderwijs en gaf er privélessen. Naast bijdragen voor tijdschriften en Ben ik een landverrader? volgde in 1926 De laatste boot[xi], een roman die zich afspeelt tijdens en na de Eerste Wereldoorlog in Oostende en in Sint-Niklaas en waarin Van den Weghe een aantal activistische thema’s heeft verwerkt. Frans Van den Weghe overleed in Eindhoven in 1937.

‘De laatste boot’ (1926)

Voor de volledige bijdrage, zie De Plate, jaargang 2016, nummer van maart


[i] Met zijn Flamenpolitik had de Duitse bezetter een verborgen agenda, nl. het eigen blazoen oppoetsen en door de Vlamingen ter wille te zijn België, of in elk geval Vlaanderen, in de Duitse invloedssfeer houden na de eindoverwinning.

[ii] Al die activisten komen aan bod in een bijdrage van de auteur over het activisme in Oostende en aan de kust die in 2016 verschijnt.

[iii] Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse beweging, III (1998), p. 3677-3678; De Plate, 10de jaargang (1981), nr 3,  p. 12; De Zeewacht van 12 juni 1920; J. VAN BERGEN, Een historische lerarenvergadering in Den Athenee, contactblad oud-leerlingen Koninklijk Atheneum van Oostende, jaargang 21, nr 1 (2003), p. 7-8; http://www.dbnl.org/auteurs/auteur.php?id=wegh003

[iv] Opgericht door de Nederlandse dominee Jan Derk Domela Nieuwenhuis Nyegaard die rond de eeuwwisseling een tijdje predikant was in Oostende. Van Oye en de belangrijkste Oostendse activisten waren lid van die beweging.

[v] Coauteur van A. ELLEBOUDT en G. LEFEVRE, Oostende onder de Duitsche bezetting, s.d., meer bepaald p. 186-193 en De Zeewacht van 2, 9, 16 en 23 augustus 1919.

[vi] Duinengalm  van 1 december 1919 en Le Carillon van 17 december 1919; e-mail van 2 juni 2015 van G. Deblock, archivaris KA Centrum, Oostende.

[vii] Ben ik een landverrader?, Tilburg, 1924, p. 5-7.

[viii] Van den Weghe verwijst naar Onze Stam van augustus 1914.

[ix] Het Duits burgerlijk bestuur dat in de plaats van het provinciebestuur was gekomen.

[x] Burgemeester Robert de Gheldere verhinderde de meeting van Everaerts en Van den Weghe en werd nadien aangehouden door de Duitsers. Die laatste heeft altijd elke betrokkenheid in die zaak ontkend.

[xi] Roosendaal, 1926

2 thoughts on “‘De laatste boot’, roman van Frans Van den Weghe

  1. We hadden vroeger al eens contact i.v.m. Van den Weghe. Ik heb nu twee zaken gevonden: 1. Hij komt voor in de lijst van de 106 ondertekenaars van het Manifest van den Hoogenschoolbond uit 1916 (nr. 85); 2. Hij staat afgebeeld op het Gulden Doek van Vlaanderen (IJzertoren), maar er staat in een verklaring bij het doek: “J. Van de[sic] Weghe – doctor in de taalkunde, leeraar, Vlaamsch dichter en romanschrijver.”. Ik lees dat hij ook Jan genoemd wordt, vandaar J. Goed herkenbaar op een afdruk van het doek; tussen MacLeod en E. Van Oye.
    Misschien weet u dat allemaal. Het artikel in de Plate is voor mij niet bereikbaar.
    Vriendelijke groeten, Walter Deconinck.

  2. Proficiat met het goede artikel omtrent activisme in Oostende. Het recente maar uitverkochte boek (I en II druk) van Godelievemuseum vzw ‘Gistelse Verhalen uit de Groote Oorlog’ bevat wat aanvullende info over van Oye en activist Jan Eggen die in Gistel woonachtig was. Boek is aangekocht door provinciale bibliotheek.