Het seizoen 1854 in Oostende (1ste deel)

Verschenen in Biekorf jg. 125 (2025), p. 468-80

 

Cercle du Phare, litho van Joseph Buffa in: L. Wittevrongel, Oostende rond 1850. S.l., 2022.

Cercle du Phare, litho van Joseph Buffa in: L. Wittevrongel, Oostende rond 1850. S.l., 2022.

In 1854 was Oostende nog een militaire vestingstad, opgesloten binnen een carcan van wallen en walgrachten. Al in de 18de eeuw was de oude omwalling aan de zuidkant gesloopt voor het uitgraven van de drie handelsdokken en de nieuwe wijk van het Hazegras[1], waarrond Napoleon opnieuw vestingen liet optrekken. Grosso modo was de stad in 1854 dus beperkt tot het huidig centrum en de wijk van het Hazegras. De vestingen zouden pas helemaal worden ontmanteld tussen 1865 en 1875. Dat de stad haar militaire functie inwisselde voor het opkomende toerisme, was uiteraard bevorderlijk voor de welvaart van de bewoners.  

De unionist[2] Henri François Serruys[3] was burgemeester tussen 1835 en 1861. Na hem zou de stad tot 1959, met uitzondering van enkele jaren tijdens de Tweede Wereldoorlog, ononderbroken bestuurd blijven door liberale burgemeesters.  Rond 1850 telde ze iets meer dan 15 000 inwoners van wie bv. in 1851 amper 476 begoede inwoners waren ingeschreven op de kiezerslijsten. Zo gingen er voor de gedeeltelijke gemeenteraadsverkiezingen van datzelfde jaar in oktober 407 Oostendenaars stemmen en in november, voor de vervanging van een ontslagnemend gemeenteraadslid, amper 233[4].  

De ambitie van mondaine badstad

Eerste houten Kursaal, litho van Henri Borremans (ibidem).

Eerste houten Kursaal, litho van Henri Borremans (ibidem).

Als één van de eerste op het Europees vasteland was Oostende van plan zich te profileren als ‘badstad’. “Les gens en bonne santé hument avec délices l’air pur et fortifiant de la mer; les malades guérissent ou espèrent guérir des vingt-cinq ou trente affections dont (…) les bains de mer sont l’antidote souverain“, schreef  L’Indépendance Belge[5]. Een belangrijke troef voor de stad was het verblijf tijdens de zomermaanden van de Belgische koninklijke familie. Het was trouwens in een herenhuis in de Langestraat[6] dat de eerste koningin Louise-Marie in 1850 overleed. Het bezoek in 1843 en 1850 van de Engelse koningin Victoria aan haar oom Leopold in Oostende, was een extra stimulans voor de toeristische ambitie van de stad. Hetzelfde gold ook voor de spoorweg die al in 1838 tot vlak voor de Oostendse omwalling was doorgetrokken. Zes jaar later verrees ter hoogte van het Mercatordok het eerste station binnen de stadsmuren.

De medaille had natuurlijk ook een keerzijde voor de prille badstad: de povere kwaliteit van het drinkwater,  pas na de Eerste Wereldoorlog definitief geoptimaliseerd door aanvoer uit de Ardennen, en de gebrekkige riolering die ook pas in het begin van de 20ste eeuw volledig zou worden vernieuwd. Verder was er In de stad geen slachthuis die naam waardig en werden de dieren in de slagerijen geslacht met alle ongemakken van dien: “Il y dans l’intérieur de la ville, dans les rues les plus fréquentées, une foule de petites tueries à l’usage des bouchers (…); on a pu voir pendant l’été dernier, dans de petits magasins ouverts, aux regards du public, des bouchers abattre des bœufs, des veaux, et faire couler dans la rue un ruisseau de sang. Nous regardons la construction d’un nouvel abattoir, dans un lieu isolé, comme un travail tout aussi urgent que la construction des nouveaux égouts”. Vijf jaar later was er nog niets veranderd. In een lezersbrief vermeldde een toerist toen dezelfde klachten en voegde eraan toe: “Un Ostendais, auquel je faisais ces réflexions, se mit à rire et me dit qu’on y était parfaitement accoutumé[7].

Lees verder in Biekorf jg. 125 (2025), p. 468-80



[1] Voor een kort overzicht van Oostende onder de eerste twee koningen, zie O. DEBAERE, Stedenatlas: Oostende (Oostendse Historische Publicaties nr 9, 2002), p. 133-51 en https://archief.oostende.be/product.aspx?id=11788 ; specifiek over de wijk van het Hazegras, zie F. LOGGHE, Het Hazegras. De verloren rijkdom van een wijk. Oostendse Historische Publicaties nr 5, 1999; G. OLLIEUZ, Kroniek van het Hazegras. S.l., 2018.

[2] Unionisme was de samenwerking tussen de katholieken en de liberalen tijdens de laatste jaren van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden die leidde tot de Belgische onafhankelijkheid in 1830. Het unionisme werd  verder gezet tot ca 1857. Nadien namen de liberalen het voortouw.

[3] De H. Serruyslaan werd naar hem genoemd. Hij was de neef van Jean-Baptiste Serruys (1754-1833), lid van de Nederlandse Tweede Kamer en in 1830 van het Belgisch Nationaal Congres. Ook niet te verwarren met Henri Louis Serruys (1888-1952), uit dezelfde familie, die na de Tweede Wereldoorlog burgemeester was. Over Henri François (1796-1883), zie W. MAERVOET, Biografische gegevens nopens Oostendse politici 1830-1914′ in De Plate, jg. 13 (1984), p.91; https://archief.oostende.be/product.aspx?id=4062

[4] La Flandre Maritime 29 oktober en 19 november 1851.

[5] 2 augustus 1854; overgenomen in Feuille d’Ostende 13 augustus 1854. Antidote souverain: het opperste, best aangewezen tegengif.

[6] Nu Stadsmuseum beheerd door de heemkundige kring De Plate.

[7] La Flandre Maritime 4 december 1850 en 29 september 1855. In de jaren 1850 wordt beslist een slachthuis te bouwen op het Hazegras. Het project werd pas in 1882 uitgevoerd; zie https://inventaris.onroerenderfgoed.be/themas/6946 Daarnaast had de stad nog nood aan een ruimere kerk en aan een bibliotheek.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>