De activistische beweging in Oostende

Deel 1: verschenen in Biekorf, jaargang 2016, nummer 2
Deel 2: te verschijnen in Biekorf, jaargang 2016, nummer 3

Ontstaan en ontwikkeling van het activisme[1] 

Eugeen van Oye, de best gekende Oostendse activist maar niet de echte voorman …

Als een gevolg van het gewijzigd kiessysteem[2] slaagde de Vlaamse Beweging er na de eeuwwisseling steeds minder in om via parlementaire weg haar eisen te realiseren. Vanaf eind 1914 probeerden flaminganten, activisten[3] genoemd, de Duitse bezetter voor hun kar te spannen voor het realiseren van hun programma: de vernederlandsing van de Gentse Franstalige universiteit, gebruik van het Nederlands in gerecht, bestuur en onderwijs en een vorm van zelfbestuur voor Vlaanderen. De meest radicale vleugel waren de Jong-Vlamingen, een beweging in Gent opgericht door de Nederlandse dominee Jan Derk Domela Nieuwenhuis Nijegaard (1870 – 1955)[4]. Ze beoogden de verdwijning van het “wangedrocht België”, de administratieve scheiding van Vlaanderen en Wallonië op basis van de taalgrens en de inlijving van Frans-Vlaanderen. Over hoe Vlaanderen er na de Duitse eindzege zou moeten uitzien, liepen de meningen uiteen: sommige Jong-Vlamingen streefden de volledige onafhankelijkheid van Vlaanderen na, anderen wilden Vlaanderen integreren binnen het Duitse Rijk, nog anderen binnen een bond van Germaanse staten. Domela wist dat er voor een Groot-Nederland weinig steun was in het Noorden.

De Duitsers namen de voornaamste activistische eisen over in hun eigen Flamenpolitik[5]. Zo hoopten ze niet alleen Vlaanderen definitief in hun invloedssfeer te zullen houden maar ook hun blazoen bij de Vlamingen op te smukken na de vele wreedheden tijdens hun opmars begaan, hun mateloze opeisingen, de deportaties en de verplichte arbeid in Duitsland. Dat koning Albert aan het IJzerfront en de Belgische regering in Le Havre halsstarrig weigerden te beloven na de oorlog aan de Vlaamse verzuchtingen tegemoet te komen, speelde in de kaart van zowel de activisten als de Duitsers. Continue reading

‘De laatste boot’, roman van Frans Van den Weghe

Na activisme en vier jaar oorlog, weer hoop op een betere toekomst 

Verschenen in De Plate, jaargang 2016, nummer maart

Het activisme in Oostende en Frans Van den Weghe

Tijdens de Eerste Wereldoorlog wilden de activisten met de steun van de Duitse bezetter[i] een aantal Vlaamse eisen realiseren, o.a. de volledige vernederlandsing van het middelbaar en hoger onderwijs en zelfbestuur voor Vlaanderen.  Stadsbibliothecaris Eugeen Everaerts en dokter-dichter Eugeen van Oye waren de plaatselijke voortrekkers van het activisme. Er was ook een harde kern leraars actief in het Oostends atheneum: Leo Van den Bogaert, Jérome Decroos, Marie-Joseph Grauls en Frans Van den Weghe[ii]. Parallel met de opkomst van het activisme, ontstond aan de IJzer de Frontbeweging, een antwoord van de Vlaamse piotten op de vele vernederingen door het Franstalig officierenkorps. Uiteindelijk zouden activisme en Frontbeweging elkaar vinden en na de oorlog opgaan in de Frontpartij.

Frans Van den Weghe (Sint-Jans-Molenbeek 1868 – Eindhoven 1937)[iii], studeerde Germaanse filologie in Gent waar hij ook actief was in de flamingantische vrijzinnige studentenbeweging. In 1892 werd hij aangesteld als leraar aan het Oostends atheneum en aan de zeevaartschool. In 1897 stond hij samen met Everaerts aan de wieg van de Oostendse afdeling van het Algemeen Nederlands Verbond. Zowel in het atheneum als in de activistische beweging was Van den Weghe de kompaan en rechterhand van Leo Van den Bogaert met wie hij in 1915 het Zevenpunten Programma van de Jong-Vlaamse Beweging[iv] onderschreef. Volgens zijn collega Gustaaf Lefèvre[v], liet zijn gezag bij de leerlingen te wensen over en genoot hij weinig respect vanwege zijn nauwe contacten met de bezetter, net als Van den Bogaert trouwens. Hij zou bovendien een alcoholprobleem hebben gehad, wat hijzelf later heeft ontkend. Als activist ijverde hij voor de vernederlandsing van de Gentse universiteit en, eens het zover was, was hij ook aanwezig bij de opening ervan. In 1918 organiseerde hij talrijke meetings in Oostende en omgeving en nam er ook het woord. In het spoor van Leo Van den Bogaert en door toedoen van de bezetter, werd hij in 1917 waarnemend prefect van het atheneum maar kort erna weer afgezet na een protestactie van de leerlingen. Hij was ook lokaal correspondent van het activistisch dagblad Gazet van Brussel. Op 8 november 1918 werd hij als leraar geschorst en bij KB van 1 december 1919 met terugwerkende kracht definitief uit het ambt gezet[vi]. Continue reading

De Afdaling in de Hel

Ian Kershaw
De afdaling in de hel
Spectrum 2014

Europa tussen 1914 tot 1949. Een continuüm van oorlog met een rustpauze tussen 1918 en 1939.

KershawDe Russische revolutie en nadien het Verdrag van Versailles maakten een einde aan de multi-etnische monarchieën uit Centraal en Oost-Europa. In de plaats kwamen nieuwe, meestal ook multi-etnische staten, die, met uitzondering van de Sovjet Unie, aanvankelijk opteerden voor de liberale democratie. In de loop van het interbellum, verdween de democratie zo goed als overal of werd ze onder de voet gelopen door totalitaire regimes als nazi-Duitsland of Sovjet-Rusland.

De liberale democratie overleefde alleen in West-Europa. De leiders van Frankrijk en de UK waren echter zwak en door hun angst om mogelijk een nieuwe oorlog te ontketenen waarop ze toen militair niet voorbereid waren, speelden ze in de kaart van Hitler die ze lieten begaan o.a. in Oostenrijk en Tsjecho-Slovakije. Pas op 1 september 1939, toen Hitler Polen binnenviel, vonden ze dat het welletjes was geweest. Daarbij komt dat de US zich politiek had geïsoleerd en teruggetrokken uit Europa. De US was zelf geen lid van de Volkerenbond waarop Europa aanvankelijk had gerekend als een soort regulator van de naoorlogse wereldorde.

De Tweede Wereldoorlog had als gevolg dat de etnische conflicten voor een stuk van de baan waren in Centraal Europa. De Endlösung en de naoorlogse emigratie naar Isräel had het Jodenvragstuk opgelost en, door bevolkingsuitwisseling en het verdrijven van de ethnische Duitsers uit Centraal en Oost-Europa, waren de herrezen staten minder multi-etnisch geworden. De bezetting van Oost-Europa door de Sovjets en de Amerikaanse aanwezigheid in West-Europa zorgden voor een nieuwe opdeling van ons continent. De nieuwe Europese orde die rond 1949 tot stand zou komen met de oprichting van de NATO, het Warschaupact, de Marshallhulp en de opsplitsing van Duitsland zou voortduren tot ca 1990 toen de Sovjet-Unie opnieuw Rusland werd en zich terugtrok uit de vroegere satellietstaten. Die periode reserveert Kershaw voor het tweede deel van zijn werk.

Het boek van Ian Kershaw werd door Marc Reynebeau aangegeven als het beste boek van 2015. Hij publiceerde er ook een recensie over in de DS:  ‘Duitsland bewijst dat je kan leren uit het verleden’ 

 

Het verlies van België

Johan Op de Beeck
Het verlies van België
Horizon, 2015

Verlies BelgieGebeurtenissen in Brussel en België in de periode augustus 1830 – 1831. Prachtig historisch verhaal dat door de auteur bovendien magistraal werd naverteld op Radio Klara. We schrijven wel “historisch verhaal” omdat we het boek moeilijk als een historisch monografie stricto sensu durven betitelen.

Het werk telt een kleine 450 bladzijden en 264 eindnoten met summiere bronverwijzing, dus minder dan één verwijzing per bladzijde. Dat vinden we nogal magertjes en dit maakt het werk ook onbetrouwbaar om zelf naartoe te refereren. In de bibliografie is er geen verwijzing naar archiefmateriaal. Er zijn enkele recente publicaties opgenomen (o.a. van Herman Balthazar, Gita Deneckere, Jeroen Koch en Els Witte) maar ook heel wat gedateerd materiaal. Naast deze secundaire bronnen, komt de voornaamste informatie van Op de Beeck uit de memoires en de correspondentie van de hoofdrolspelers, o.a. van De Potter en Gendebien. Dit roept al dadelijk de vraag op naar de graad van betrouwbaarheid van die laatste bronnen, vooral als niet wordt gedubbelcheckt in archiefmateriaal of in andere historische werken en/of in de geschriften of memoires van andere spelers in het gebeuren.

Louis De Potter is duidelijk de centrale figuur van heel dit historisch verhaal. Een centrale figuur of een hoofdpersonage is nu eenmaal een romantechnisch gegeven of must. Vraag is echter of De Potter in werkelijkheid die rol heeft gespeeld en of hij het gewicht verdient dat hij zichzelf heeft toegeëigend in zijn memoires en geschriften, gewicht dat Op de Beeck hem probleemloos gunt in zijn verhaal. Te meer dat De Potter niet in Brussel was toen de rellen uitbraken en nadien ook vlug opnieuw van het politiek toneel is verdwenen. Het is een vaststaand feit dat er toen wel een republikeinse stroming was.  Maar wat was haar gewicht in vergelijking met de beweging van de patriotten en van de orangisten? Ook vinden we dat Op de Beeck te weinig aandacht besteedt aan de rol die de grote mogendheden en het Congres van Londen hebben gespeeld in het conflict tussen het Noorden en het Zuiden van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Precies of ze van aan de andere kant van het universum stonden te kijken naar de kronkels en de capriolen van De Potter en de andere spelers.

En wat het gedachtengoed van De Potter betreft, kan je gerust de bedenking maken dat de zeer liberale grondwet van onze monarchie gerust de vergelijking kan doorstaan met deze van een republiek. Wat was dan de meerwaarde van een republiek? Continue reading

Onverfranst, onverduitst?

Lode Wils
Onverfranst, onverduist?
Flamenpolitik, Activisme, Frontbeweging
Kalmthout, Pelckmans, 2014

In 1974 publiceerde Lode Wils Flamenpolitik en aktivisme. Vlaanderen tegenover België in de Eerste Wereldoorlog. Veertig jaar later bezorgt hij ons een remake. Zijn visie is niet fundamenteel veranderd, wel hier en daar genuanceerder door het vooruitschrijdend inzicht en als gevolg van publicaties die nadien zijn verschenen. Wel is het zo dat de auteur nu expliciet een derde element aan zijn studie heeft toegevoegd, nl. de Frontbeweging.

De oorzaak van het Activisme legt Wils bij het stokken na 1900 van de taalwetgeving en het niet inwilligen van een aantal rechtmatige Vlaamse verzuchtingen. Waar voordien de Katholieke Partij, die Vlaams voelender was dan de Liberale, erin was geslaagd om een aantal Vlaamse eisen door het parlement te loodsen, was dit niet meer zo evident na de wijziging van het kiesstelsel als gevolg van de invoering van het algemeen meervoudig mannenstemrecht en de evenredige vertegenwoordiging en de opkomst van de socialistische partij. Om een meerderheid te krijgen was nu de steun nodig van de antiklerikalen, die minder Vlaams georiënteerd waren, en van Waalse verkozenen. Daarnaast was er ook de aanstelling als aartsbisschop van de rabiate Vlaminghater Désiré-Joseph Mercier.

Al vóór de Duitse inval van augustus 1914 leefde in flamingantische middens de denkpiste van bestuurlijke scheiding. Ook vond men in die middens adepten van de alldeutsche en völkische  denkbeelden die verwezen naar de natuurlijke en historische verbondenheid tussen verwante Germaanse volkeren.

Eveneens vóór de inval droomde de Duitse generale staf van een sterke aanwezigheid aan de Noordzeekust, als tegenpool voor de Engelse invloed en macht op het vastenland. Continue reading

100 jaar geleden schreef Sylvain Van Praet in zijn dagboek


14 oktober 1914 was de eerste dag van de Duitse bezetting. Hier komen elke dag in eigen vertaling de gebeurtenissen verteld door de Oostendse stadsbediende Sylvain Van Praet die zijn onuitgegeven dagboek - The occupation of Ostend by the Germans – in het Engels bijhield tot aan de bevrijding van de stad in oktober 1918. Veel leesgenot.

 

Afkortingen en tekens

Dagboek Van Praet 1914

Dagboek Van Praet 1915

Dagboek Van Praet 1916

Dagboek Van Praet 1917

Dagboek Van Praet 1918

Oostende, Maandag 15 – Dinsdag 23 April 1918.

Het valt op hoe weinig paarden de Duitsers nog hebben. Dagelijks zien we soldaten karren voorttrekken en ezels kanonnen. De weinig overgebleven paarden zijn niet om aan te zien. De zeldzame dieren die nog in het bezit zijn van de burgerbevolking, ook niet trouwens. Ze zijn allemaal vel over been.

De Duitse overheid heeft het in omloop brengen van nieuwe kasbonnen verboden. Nu al zijn er voor een totaal van zestien miljoen van die papieren uitgebracht. Het stadsbestuur was dus genoodzaakt om een nieuwe lening aan te gaan bij het Gemeentekrediet in Brussel. Er werden drie leningen afgesloten: één van 1 300 000 BEF om de interest te kunnen vereffenen op de lening van 25 000 000 BEF uit 1898; een tweede lening van 2 000 000 BEF voor de gewone uitgaven van de stad en een derde van 3 000 000 BEF om de bezetting te bekostigen. Momenteel is van de twee laatste leningen al het tweede deel opgenomen (500 000 en 750 000 BEF). Het derde deel is aangevraagd.

Omdat de stad zoveel opeisingen moest doen, kon ze niet anders dan de vergoeding aan de eigenaars stopzetten tot na ontvangst van het tweede deel van de leningen. De stadskas zal nu ook de som van 600 000 BEF aan de Duitse overheid overmaken voor gemaakte kosten. De Oostendenaars krijgen voorlopig wel geen vergoeding voor de inkwartiering van militairen. Gezien de slechte toestand van haar financiën, kreeg de stad een subsidie van 100 000 BEF vanwege het “Gouvernement”[1].

In de nacht van de 17de op de 18de april werd de stad ondanks het bar slechte weer nogmaals gebombardeerd. De ontploffingen volgden elkaar op en telkens lichtte de stad op. Voor ons betekende het een nieuwe rush naar de kelder onder de Sint-Jozefskerk.

De granaten zijn allemaal ontploft aan de westkant van de stad, in Mariakerke. Het wijkcommissariaat – op de hoek van de Northlaan en de Nieuwpoortsesteenweg[2] – werd volledig vernield. Twee politieagenten kwamen onder het puin terecht, maar alleen agent René Declerck[3] is zwaargewond. Verschillende huizen zijn vernield of beschadigd maar er waren geen doden. Een granaat is midden in het oud kerkhof ontploft en heeft verschillende graven vernield.

Vandaag 19 april, tussen 11 en 12 uur ’s middags, zijn twee granaten of bommen ontploft in de buurt van de Spuikom. Volgende personen[4] werden gewond:

Henri Rodenbach, 65 jaar, Romestraat 62, zwaar en Berthe Gallin, 17 jaar, Vrijhavenstraat 31, licht gewond.

Om halfzes deze avond losten enkele vliegtuigen bommen in de omgeving van de kazerne. Naast verschillende militairen, werden volgende burgers gedood of verwond[5]:

gedood:

Oscar Derudder, 33 jaar, Rogierlaan 65

zwaar gewond:

Jules Demeester, 55 jaar, Wapenplein 15

Ed. Vanrenterghem, 54 jaar, Arbeidstraat[6] 5

Esther Dudal, 8 jaar, de Smet de Naeyerlaan 31

licht gewond:

Gilbert Dudal, 3 jaar, idem

Hélène Vanhecke, 43 jaar, idem. 

Demeester, Vanrenterghem en Rodenbach zijn ondertussen overleden.Op 20 april, rond 17u00 Duitse tijd, hebben de geallieerden de stad nog maar eens beschoten. Nu lag vooral de wijk Mariakerke onder vuur. De meeste granaten zijn ontploft in zee of op het strand. Er zijn geen slachtoffers en ook geen schade.

De nacht van de 22ste op de 23ste en de daaropvolgende dag zullen in het geheugen van elke Oostendenaar gegrift blijven.

s’ Middags om 12.15 uur Duitse tijd, barstte een zwaar bombardement los. Op enkele minuten stonden we in de kelder van de Sint-Jozefskerk. Voortaan is de ingang ‘s nachts verlicht met een blauwe gaslamp.

Alle kustbatterijen begonnen te vuren terwijl talrijke geallieerde granaten explodeerden. We konden zonder veel moeite de Duitse batterijen onderscheiden die schoten in de richting van de zee. De beschieting duurde twee en een half uur.

Toen ik ’s morgens rond 9 uur arriveerde op mijn werk, vernam ik dat dozijnen granaten waren ontploft in de Vuurtorenwijk, meer bepaald in de Heist- en de Fortstraat. De granaat die terechtkwam in de Schippersstraat is niet ontploft. Andere tuigen kwamen neer in de Steensedijk, in de Aartshertogstraat en in de Leffingestraat. De Kommandantur gaf opdracht om tweehonderd man (werklui of inwoners, het was om het even) naar deze straten te sturen om de bomkraters op te vullen.

Deze beschieting is één van de zwaarste die we hebben meegemaakt.

Hierna de naamlijst[7] van twee families die van de aardbol zijn geveegd:

gedood:

August Jonckheere, 22 jaar, Steensedijk 57

Louis Jonckheere, 17 jaar, idem

Angèle Jonckheere, 16 jaar, idem

Irma Jonckheere, 15 jaar, idem

Madeleine Jonckheere, 11 jaar, idem

Louis Deputter, 49 jaar, Steensedijk 59

Eugénie Coeneye, 45 jaar, idem

Marie Deputter, 19 jaar, idem

Marguerite Deputter, 17 jaar, idem

Valentine Deputter, 7 jaar, idem

zwaar gewond:

Alphonse Deputter, 10 jaar, idem (kort nadien overleden)

Ernestine Deputter, 14 jaar, idem (kort nadien overleden).

Kort daarop ging het nieuws rond dat twee geallieerde oorlogsbodems (lichte kruisers) de haven aan de oostkant waren binnengevaren met de bedoeling deze kruisers tot zinken te brengen en zodoende de haven te blokkeren. De geallieerden hadden in Zeebrugge dezelfde strategie toegepast, echter met meer succes.

Om 9 uur probeerde een geallieerde piloot dan de twee schepen te bombarderen en ze zo tot zinken te brengen.

Rond 14 uur zag ik vanaf de zeepromenade dat de twee oorlogsbodems naast elkaar op het strand waren vastgelopen, ongeveer ter hoogte van Hotel de L’Espérance. Eén ervan stond in brand en af en toe was er een explosie aan boord. De twee schoorstenen van de schepen waren nog intact maar ze waren hun masten kwijt. De beschietingen hadden er schroot van gemaakt. De schepen waren dus niet tot in de haven geraakt.

Terwijl zo’n vijfhonderd kijklustigen (voor het merendeel militairen) stonden toe te kijken, vlogen twee geallieerde vliegtuigen over. Gelukkig zonder bommen af te werpen. Op dat moment verschenen plots drie Duitse watervliegtuigen op minder dan honderd meter boven ons. Hun machinegeweren begonnen te schieten op de toeschouwers. De paniek was onbeschrijflijk. De massa stoof uiteen, weg van het gevaar. Waarom dat plotse schieten op de menigte?

Twee minuten later zag ik een Duitse officier met een beenwonde en een gewonde marinesoldaat liggen. Ze werden beiden naar een lazaret overgebracht. De laatste had wel een dozijn kogels in zijn lichaam gekregen en was al stervende toen hij werd weggebracht. Dit keer had ik van dicht bij de dood gezien!

Om 17.30 uur Duitse tijd verliet ik mijn kantoor en begaf me naar de Kommandantur om meer informatie te krijgen. Op dat moment vlogen geallieerde vliegtuigen over en gooiden bommen in de Kerkstraat, in de Sint-Sebastiaanstraat, rond Petit Paris, enz. Eenmaal /terug in mijn kantoor, waar twee ruiten waren gesneuveld, hoorde ik dat er ten minste negen personen waren omgekomen en dat er zeker twintig gewond waren. Het dodental liep uiteindelijk op tot vijftien en tot zesentwintig met die van de nacht voordien erbij. Zesentwintig doden in vierentwintig uur!

Om 19 uur was ik aan Petit Paris waar een bom verschillende inwoners had gedood of verwond. Op dat eigenste moment vlogen weer drie tuigen over die bommen afwierpen op de stad. Gelukkig vielen er nu geen slachtoffers meer onder de burgerbevolking maar er werden wel drie militairen zwaar toegetakeld.

Een dag vol akelige en niet te voorziene verrassingen!

 

[1] De Zivilverwaltung in Brugge? De gevolmachtigden in Brussel ?

[2] Chaussée de Thourout, zowel in Ms als in Ts. Waar de nieuwe zwemkom zal komen.

[3] Ook vermeld in Duinengalm van 12 november 1920.

[4] Deze slachtoffers en ook deze hierna worden niet vermeld in Duinengalm van 12 november 1920. Oscar Derudder staat in de lijst van Elleboudt-Lefèvre, p. 567.

[5] Een drietal worden vermeld in Elleboudt-Lefèvre, p. 567.

[6] Naam was al in 1912 veranderd in Schoolstraat. Nu Dokter Verhaeghestraat. Zie D. DESCHACHT, p. 21.

[7] Zie ook Duinengalm van 12 november 1920 en ELLE p. 566-67. Elleboudt-Lefèvre  schrijft Augusta Jonckheere i.p.v. August.

© Vertaling John Aspeslagh. Tekst overnemen kan mits bronvermelding.

Over de eerste oorlogsweken:

Biografie Hugo Verriest

Romain Vanlandschoot
Tielt, Lannoo 2014
616 p.

Deze lijvige en heel complete biografie zou kunnen doorgaan als een dubbele of zelfs driedubbele biografie. Hugo Verriest, de West-Vlaamse priester, is uiteraard de centrale figuur maar ook Guido Gezelle en Albrecht Rodenbach worden voortdurend opgevoerd. Gezelle was de leraar van Verriest in het Roeselaarse Klein Seminarie en Albrecht Rodenbacht was er zijn leerling. Het Klein Seminarie komt voortdurend terug want het is de plaats waar de drie elkaar hebben ontmoet en waar vriendschap voor het leven werd gesmeed.

Toch zien we dat Verriest ideologisch dichter staat bij zijn leerling dan bij zijn leraar. De vriendschap tussen Gezelle en Verriest werd wel nooit verbroken, maar kende wel enkele dipjes. De bewondering van Verriest voor zijn oude meester bleef al die jaren ongerept. Ze waren het wel niet eens over het West-Vlaams als standaardtaal . Waar Gezelle opteerde voor het West-Vlaams model, trok Verriest resoluut de kaart van het algemeen Nederlands en voor aansluiting met het Noorden. Het particularisme van Gezelle was bovendien door ideologische motieven ingegeven, nl. de vrees dat de protestantse invloed vanuit het Noorden het katholieke Vlaanderen zou overspoelen. Continue reading

Korsele of de Geuzenhoek van Horebeke

Horebeke ligt op een tiental kilometers van Oudenaarde. Deze fusiegemeente omvat drie kernen: Sint-Maria-Horebeke, Sint-Kornelis-Horebeke en Korsele, beter bekend als de Geuzenhoek.

Geuzenhoek is ook de naam van een wandelroute in de Vlaamse Ardennen. De route is uitgegeven door Toerisme Oost-Vlaanderen[1] en is 14 km lang. Ze kan gemakkelijk in twee delen worden opgesplitst.

Wie minder goed te been is, kan de wagen achterlaten aan de kerk van Sint-Maria-Horebeke en zo’n halve kilometer te voet via een landweg (de Ketse) wandelen naar de kerk van Sint-Kornelis-Horebeke. Je kan dan terugwandelen via dezelfde weg of iets langer via de Koekoekstraat en de Kullaarsweg. Continue reading

West-Vlamingen in de Nederlandse Tweede Kamer (1815 – 1830)

Eerste deel van bijdrage verschenen in Biekorf van maart 2015

Hun beperkte biografieën verschenen in Biekorf van juni 2015

Leonard du Bus de Gisegnies

Tweehonderd jaar geleden, op 21 september 1815, had niet in Den Haag maar in de gotische zaal van het Brusselse stadhuis de plechtige installatie van de Staten-Generaal plaats. Willem I (1772-1843)[1] hield er een openingstoespraak in het Nederlands waarin hij herinnerde aan de bloeiperiode van de Nederlanden onder  Karel V.  De vorst begaf zich daarna naar het Koningsplein om de eed op de grondwet af te leggen. De voorzitters van Eerste en Tweede Kamer kwamen vervolgens aan de beurt[2]. Het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden was geboren. Van het koningschap van Willem I onthouden we voornamelijk de opleving van de economie en de handel in onze gewesten, zijn inspanningen om, los van de invloed van de Kerk, degelijk onderwijs te organiseren en natuurlijk ook zijn maatregelen om, na bijna een kwarteeuw Franse overheersing, van het Nederlands weer de bestuurstaal te maken in het Diets gedeelte van de zuidelijke Nederlanden. Continue reading