Na de Eerste Wereldoorlog bleef er van Ieper niet veel meer over dan een spookstad die steen voor steen werd terug opgebouwd. Nadien is Ieper de motor geworden van de blijvende herinnering aan de Eerste Wereldoorlog . Wie kent er in de Angelsaksische wereld niet de Menin Gate of het museum In Flanders Fields ingericht op de eerste verdieping van de na 1918 herbouwde Lakenhalle? Deze twee locaties trekken jaarlijks duizenden toeristen die meer willen weten van wat zich in de streek tussen 1914 en 1918 heeft afgespeeld. In de straten is Engels zowat de tweede taal geworden en Ieper de place to be, niet alleen voor de Belgian chocolate maar vooral voor een dosis remembrance. Hoeveel Engelsen of onderdanen van het Commonwealth hebben hier geen familielid verloren en begraven op één van de vele militaire begraafplaatsen in de Westhoek? Ieper kijkt vooruit en werpt zich sindsdien op als Vredesstad. Het In Flanders fields museum speelt hierop in en wil vanuit de gruwel van de Eerste Wereldoorlog motiveren voor een wereld zonder oorlog, boodschap waarvoor ook de IJzertoren werd opgericht. Continue reading
Category Archives: Geschiedenis algemeen
L’Océan, het hospitaal van koningin Elizabeth
In het cultuurhuis De Scharbiellie in De Panne, loopt nog tot 14 april – onder de benaming Het hospitaal van de koningin – de tentoonstelling over het militair hospitaal L’Océan en het dagelijks leven in deze kustgemeente tijdens de Eerste Wereldoorlog.
De tentoonstelling bestaat hoofdzakelijk uit fotografisch materiaal dat prachtig wordt gepresenteerd in de luchtige en gezellige ruimte van dit modern en aangenaam ingericht cultuurhuis.
Het overgrote deel van de documenten heeft uiteraard betrekking op het hospitaal L’Océan gelegen aan de dijk van De Panne. Dit fotografisch en ander materiaal bevinden zich in de grote gelijkvloerse ruimte waar ook een operatiekwartier uit de oorlogsjaren is gereconstrueerd met authentiek chirurgische instrumenten en materiaal voor wondverzorging. Dat de gemeente De Panne hierin een centrale rol speelde, is uiteraard te verklaren door het feit dat het “vrije België” zich in die jaren beperkte tot het niet overstroomd gebied binnen het IJzerbekken. Continue reading
De oorlogsmisdaden van de Duitsers in Frankrijk en België
HORNE (J.) & KRAMER (A.), 1914. Les atrocités allemandes, Paris, Tallandier, collection Texto, 2011, 674 blz.
De Duitsers vielen België binnen in augustus 1914. Vanaf de eerste dag gedroegen ze zich bijzonder wreed en hardvochtig t.o.v. de burgerbevolking. Sinds de Frans-Duitse oorlog van 1870, waren de Duitsers geobsedeerd door zgn. francs-tireurs: gewapende burgermilities die schoten op de invallers. Ze zagen er overal en hun weerwraak was navenant: onschuldige burgers, niet alleen notabelen, ook vrouwen en kinderen, werden gegijzeld en terechtgesteld of vermoord; huizen, zelfs bijna volledige dorpen, gingen op in de vlammen. Soms was er een vorm van militair gerecht dat de vonnissen uitspraak, soms ook niet en werden de gijzelaars of de bevolking gewoon in koelen bloede afgemaakt. Continue reading
De taalgrens door Brigitte Raskin
Davidsfonds, Leuven, 2012, 329 blz.
Sinds het laat-Romeinse Rijk is de taalgrens eigenlijk niet zoveel meer verschoven en volgt ze grosso modo het tracé van de heirweg die liep van Boulogne naar Keulen. De rück-romanisering won het pleit in Zuid-Vlaanderen (Artesië en Frans-Vlaanderen) dat om politieke en sociale redenen werd verfranst na de Anschluss bij Frankrijk. In Brussel speelden dezelfde motieven mee: het centraal bestuur was verfranst sinds de tijd van de Bourgondiërs en bleef het verder onder de Spanjaarden, de Oostenrijkers, de Franse republiek en het Frans keizerrijk. Ook hier speelde het sociaal aspect mee: Frans spreken, in navolging van de hogere klasse, stond niet alleen chic maar was tevens een middel om een trapje hoger op te klimmen op de sociale lader. Brigitte Raskin stelt duidelijk dat de taalgrens niet alleen geografisch is maar ook sociaal[1]. Continue reading
Spanje erkent de republiek der Verenigde Provinciën (1648)
Conflicting Words van Laura Manzano Baena.
The Peace Treaty of Münster (1648) and the political culture of the Dutch Republic and the Spanish Monarchy.
Leuven, University Press, Avisos de Flandes, 2011, 282 blz
De auteur belicht een aantal aspecten die zich stelden bij het afsluiten van de Vrede van Münster aan het einde van de Tachtigjarige Oorlog in 1648.

De beëdiging van het verdrag door de Spaanse en Nederlandse onderhandelaars (Gerard Terborch, 1648) De ondertekening van het vredesverdrag van Münster – de zes onderhandelaars met opgeheven vingers v.l.n.r. Willem Ripperda, Frans van Donia, Adriaen Clant tot Stedum, Adriaen Pauw, Jan van Mathenesse en Barthold van Gent
Partijen waren hier Spanje en de Verenigde Provinciën, de zgn. zeven “ongehoorzame” gewesten die zich in de 16de eeuw aan het Spaans gezag hadden onttrokken voornamelijk omwille van de autoritaire regeringsstijl en de vervolging van de gereformeerden onder Filips II. Deze laatste was niet enkel koning van Spanje maar ter gelijker tijd ook graaf van Vlaanderen, hertog van Brabant, graaf van Holland, enz. , gebieden die eertijds behoorden tot de Bourgondische Nederlanden en die de Habsburgers hadden geërfd. Continue reading
De Franse pers in de 19de eeuw
In 2011 verscheen bij de uitgeverij Nouveau Monde Editions een kanjer van 1755 bladzijden met als titel La civilisation du journal, histoire culturelle et littéraire de la presse française au XIXe siècle. Het is een collectief werk van een 60-tal medewerkers onder leiding van Dominique Kalifa, Philippe Régnier, Marie-Eve Thérenty en Alain Vaillant.
Het feit dat zoveel personen een bijdrage hebben verzorgd, verwijst al naar het zwak punt van dit werk, nl. het gebrek aan synthese en de vele herhalingen. Alle bijdragen zijn los van elkaar opgesteld met vele overlappingen (“redites“) als gevolg. Als groot pluspunt vermelden we in elk geval de volledigheid van het werk waardoor het een standaardwerk is geworden in zijn domein. Ook de index en de aanzienlijke bibliografie dragen daartoe bij. Toch spijtig van het onhandig formaat en de compacte druk. Continue reading
De Atlantikwall in Raversijde
De Atlantikwall is één onderdeel van het Provinciaal domein Raversijde. Daarnaast kan je nog Walraversijde en het Memoriaal van prins Karel bezoeken of wandelen in het omliggend uitgestrekt natuur- en recreatiepark.
De Atlantikwall liep van de Noorse kust tot aan de Pyreneeën en bestond uit bunkers, kustbatterijen, luchtafweer, antitankgeschut en tankversperringen. Bij de invasie in juni 1944 hadden de vestinggenietroepen (Festungspioniere) en de Organisation Todt meer dan tienduizend bunkers afgewerkt. Hierbij waren honderdduizend Duitsers en acht miljoen buitenlanders als werkkrachten betrokken met een maandelijks verbruik van zeshonderdduizend kubieke meter beton.
Verrassend mooi Middelburg
Vanuit West-Vlaanderen Middelburg bezoeken, was vroeger niet zo eenvoudig. Je moest op tijd aan de ferry in Breskens zijn, zo niet was het een uur wachten op de volgende boot. Tegenwoordig houdt de verplaatsing niets meer in. Voor 5 euro rijd je comfortabel door de Westerscheldetunnel en in een mum van tijd kom je aan in het centrum van Middelburg.
De stad kwam gehavend uit de Tweede Wereldoorlog. In mei 1940 kwam ze zwaar onder het vuur te liggen van de oprukkende Duitsers. De bevrijding van Walcheren kwam pas in november 1944 terwijl men boven de grote rivieren nog de fameuze “hongerwinter” zou moeten trotseren. Nadien werd de stad zoveel mogelijk in haar oorspronkelijke staat hersteld en is men daar ook bijzonder goed in geslaagd. Veel originele bouwwerken uit vroegere tijden zijn er dus niet overgebleven maar dat valt ook helemaal niet op. Alles lijkt zo goed als oorspronkelijk …
De “treurenden” van Dijon nog tot 19 augustus 2012 in het Brugs Sint-Janshospitaal – Tranen van liefde
In de 15de eeuw ontstond aan het Bourgondisch hof de traditie om naast de praalgraven van de hertogen zogenaamde “pleurants” in beeldhouwwerk te plaatsen. De bekende Haarlemnaar Klaas Sluter begon hiermee rond 1400 bij de graftombe van Filips de Stoute waar we een rouwstoet zien van wenende monniken die hun gelaat diep verbergen in de kappen van hun pij.
Klaas Sluter kreeg navolging. In 1443 begon Jean de la Huerta met de graftombe van Jan Zonder Vrees. Antoine le Moiturier voltooide het werk rond 1470. De nu nog 37 overblijvende en fijn uitgewerkte figuurtjes in albast[1], zijn 30 cm hoog en stellen rouwende geestelijken, kartuizermonniken en ook hovelingen voor. Bijzonder lieflijk is het beeldje van een misdienaar die, gezien zijn nog prille leeftijd, in een kleiner formaat dan de rest is uitgebeeld. Beide tomben zijn te bewonderen in de Musée des Beaux arts van Dijon.
Omstreeks 1480 zou nog een gelijkaardig grafmonument voor Philippe Pot volgen dat momenteel bewaard wordt in het Musée du Louvre in Parijs.
De oorlogsdagboeken 1914-18 van Charles Spindler en Virginie Loveling
Tijdens de Eerste Wereldoorlog hielden ze beiden een dagboek bij. Hun situatie en hun memoires zijn zowel qua volume als naar inhoud vergelijkbaar: ze verlangden naar het einde van de oorlog en naar de overwinning van de geallieerden.
Groot verschil is wel de taal waarin ze hun dagboek schreven. Het Nederlands van Loveling is nogal archaïsch en leest moeilijk. De taal van Spindler is vlot vertoont weinig verschil met het hedendaags Frans. Alhoewel het Germaans dialect van de Elzas zijn moedertaal was, beheerst hij perfect de taal van Molière.
De twee auteurs verhalen hun wedervaren tijdens de bezetting met dat verschil dat de Duitse bezetting van Gent pas begon in 1914 terwijl de Elzas al van 1871 deel uitmaakte van het Duitse keizerrijk. Een hemelsbreed verschil! De Gentenaars leden onder de bezetting maar hun leed was niet te vergelijken met de verzuchtingen van de Elzassers.
Al van in het begin legt Charles Spindler de nadruk op de francofiele gevoelens van zijn streekgenoten. De streek maakte sinds Lodewijk XIV deel uit van Frankrijk en de inwoners waren Frans voelend. De nederlaag te Sedan (1870) van de Franse keizer Napoleon III maakte er een Duits gebied van, fel tegen de zin van de overgrote meerderheid van de bevolking. De Duitsers probeerden de departementen van de Neder- en de Boven-Rijn te rück-germaniseren. De Franse taal werd amper getolereerd en de streek overspoeld met hooghartige Duitse kolonisten die het voor het zeggen kregen in de administratie, het gerecht en het onderwijs die voortaan in het Duits gebeurden. Deze Duitsers keken vanuit de hoogte neer op de oorspronkelijke bevolking.
Dienstplichtigen waren verplicht hun legerdienst te vervullen in het Duitse leger waar ze gewantrouwd werden en waar elke kans op promotie bijzonder moeilijk, zo niet onmogelijk was. In de zomer van 1914 brak de Eerste Wereldoorlog uit. De Duitse overheid gebruikte hen als kanonnenvlees in de eerste vuurlinies:
“Qui dira le supplice de ces milliers de nos compatriotes emprisonnés durant des années dans un uniforme détesté, et forcés de marcher pour une cause qui leur était odieuse? Ont-ils assez envié ceux de leurs camarades auxquels les circonstances ont permis de combattre dans l’armée française? Soumis à un régime qui blessait tous leurs sentiments, observés et suspectés en toute occasion, privés même des permissions auxquelles ils avaient droit, ils se sont vus traînés de pays en pays, jetés d’un front à l’autre, depuis les marécages de la Russie jusqu’aux montagnes du Caucase, pour échouer finalement sur le front français, risquant, – suprême horreur! – d’y recevoir après tant de misères la mort par une balle française. Quel monument érigera-t-on à ces véritables martyrs?” (p. 805)
Burgers die onder elkaar Frans spraken, werden als deutsch-feindig beschouwd. Elzassers die het in het openbaar toch deden, liepen de kans aangedragen te worden door Duitse inwijkelingen en als spion beschouwd door de Duitse militaire overheid. De streek werd uitgezogen door de Duitsers en maximaal ingeschakeld in de Duitse oorlogsmachine. De ontbering en het voedseltekort waren daar niet minder erg dan in Vlaanderen. Niet alleen het voedsel werd opgeëist, maar de bewoners waren ook verplicht hun woningen ter beschikking te stellen van Duitse militairen.
Het overgrote deel van de bevolking bleef echter trouw aan Frankrijk en hoopte heimelijk op de overwinning van de geallieerden. 11 November 1918 was dan ook een verademing voor de streek en de Franse militairen werden als bevrijders ontvangen.
Daarmee was het leed niet afgelopen want l’histoire se répéterait in 1940. Toen werd de streek nogmaals door Duitsland geannexeerd en hetzelfde scenario herhaalde zich: Elzassers ingelijfd in de Duitse Weermacht. Ze zouden de geschiedenis ingaan als de “malgré-nous” en een aantal werd na 1945, – meestal ook ten onrechte – bijzonder hard aangepakt door de Franse justitie.
Charles Spindler loochent zijn Germaanse roots niet maar is realistisch. De band met Frankrijk is historisch gegroeid en kan zo maar niet met Teutoons geweld te niet worden gedaan:
“C’est l’esprit français qui anime toute la population. Il paraît évident que la France a réussi à détacher complètement ce peuple de l’Allemagne. Cette aliénation est pénible pour nous; mais elle est un fait, et parce qu’elle est un fait, cela ne peut mener à rien de vouloir toujours rappeler à l’ancien amour quelqu’un qui ne veut pas aimer. Les Alsaciens veulent être français …” (p. 781).
Charles Spindler (1865-1938) is niet alleen schrijver, hij is ook gekend als grafisch kunstenaar. L’Alsace pendant la guerre 1914-1818 werd voor het eerst uitgegeven in 1925. De huidige uitgave, ingeleid door Jean-Marie Gyss, dateert van 2008 en is uitgegeven door de Editions Place Stanislas.
In oorlogsnood van Virginie Loveling werd opnieuw uitgegeven in 1999 door de Koninklijke Academie voor Taal- en Letterkunde in Gent.
Charles Spindler geniet mijn voorkeur. Spijtig voor Virginie …
VOORSTELLING VAN HET DAGBOEK VAN SPINDLER
Charles Spindler a vécu la Première Guerre mondiale depuis son hameau de Saint-Léonard, à une vingtaine de kilomètres à l’arrière du front situé sur les sommets vosgiens. Trop âgé pour être mobilisable, il passa les quatre années du conflit à écrire son Journal qui comprend 2600 feuillets manuscrits, grand format! Un document inégalé qui constitue l’un des témoignages les plus exceptionnels sur un conflit déclenché officiellement pour récupérer l’Alsace et la Lorraine (Moselle), annexées par l’Allemagne à l’issue de la guerre de 1870.
Ce témoignage est riche de détails sur la guerre vécue au front et sur la guerre subie à l’arrière, en Alsace, au jour le jour. Ce Journal exprime aussi toute la complexité de la situation de l’Alsace: français de coeur («J’ai toujours ressenti Sedan comme une défaite»), allemand de fait («J’ai fait mon service militaire en Allemagne»), Charles Spindler a des neveux dans les deux camps !
En effet, comme l’explique l’historien Nicolas Stoskopf, en Alsace, les repères ne sont pas aussi simples qu’à Paris ou à Berlin! C’est ce à quoi tente aussi de répondre ce Journal de guerre.


